Jeremia 3
Lees Jeremia 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Gods grote lankmoedigheid over de snode en hardnekkige afgoderij van Juda, met aansporing tot bekering, vers 1, enz. Vergelijking van de boosheid van Israël en Juda, dat zich niet aan Israëls voorbeeld spiegelde, maar het nog erger maakte, 6. Israël wordt ook aangespoord tot bekering, 12. met schone evangelische beloften van de vergadering van de uitverkoren Joden en heidenen tot Christus' kerk, de instelling van het predikambt, de afschaffing van de ceremoniën en de oprichting van de nieuwe godsdienst; evenzo van de Geest van het kindschap, van het gebed en van de ware bekering (waarvoor God Zijn uitverkorenen een voorschrift geeft), en de erfenis van het hemelse Kanaän, 14. enz.
1Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt van een andere man, zal hij ook tot haar nog terugkeren? Zou dat land niet enorm ontheiligd worden? U nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer toch weer tot Mij, spreekt YHWH.
2Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar bent u niet beslapen? U hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn; zo hebt u het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw boosheid.
3Daarom zijn de regendruppelen ingehouden, en er is geen spade regen geweest. Maar u hebt een hoerenvoorhoofd, u weigert schaamrood te worden.
4Zult u niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader! U bent de leidsman van mijn jeugd!
5Zal Hij in eeuwigheid de toorn behouden? Zal Hij die gestadig bewaren? Zie, u spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand.
6Verder zei YHWH tot mij, in de dagen van de koning Josia: Hebt u gezien, wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging heen op elke hoge berg, en tot onder alle groene boom, en hoereerde daar.
7En Ik zei, nadat zij dat alles gedaan had: Bekeer u tot Mij; maar zij bekeerde zich niet. Dit zag de trouweloze, haar zus Juda.
8En Ik zag, als Ik vanwege alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zus Juda, niet vreesde, maar ging heen, en hoereerde zelf ook.
9Ja, het gebeurde, vanwege het gerucht van haar hoererij, dat zij het land ontheiligde; want zij bedreef overspel met steen en met hout.
10En zelfs in dit alles heeft zich haar trouweloze zus Juda tot Mij niet bekeerd met haar hele hart, maar vals, spreekt YHWH.
11Daarom zei YHWH tot mij: De afgekeerde Israël heeft haar ziel gerechtvaardigd, meer dan de trouweloze Juda.
12Ga heen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, u afgekeerde Israël! spreekt YHWH, zo zal Ik Mijn toorn op u niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt YHWH. Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden.
13Alleen ken uw ongerechtigheid, dat u tegen YHWH, uw God, hebt overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder alle groene boom, maar u bent aan Mijn stem niet gehoorzaam geweest, spreekt YHWH.
14Bekeer u, u afkerige kinderen! spreekt YHWH, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, één uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion.
15En Ik zal u herders geven naar Mijn hart; die zullen u weiden met wetenschap en verstand.
16En het zal gebeuren, wanneer u vermenigvuldigd en vruchtbaar zult geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt YHWH, zullen zij niet meer zeggen: De ark van het verbond van YHWH, ook zal zij in het hart niet opkomen; en zij zullen aan haar niet gedenken, en haar niet bezoeken, en zij zal niet weer gemaakt worden.
17In die tijd zullen zij Jeruzalem noemen, de troon van YHWH; en al de heidenen zullen tot haar verzameld worden, omwille van de Naam van YHWH, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart.
18In die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis van Israël; en zij zullen samen komen uit het land van het noorden, in het land, dat Ik uw vaders als erfenis gegeven heb.
19Ik zei wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenste land, de sierlijke erfenis van de legermachten van de heidenen? Maar Ik zei: U zult tot Mij roepen: Mijn Vader! en u zult van achter Mij niet afkeren.
20Werkelijk, zoals een vrouw trouweloos scheidt van haar vriend, zo hebt u trouweloos tegen Mij gehandeld, u huis van Israël! spreekt YHWH.
21Er is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween en smekingen van de Israëlieten, omdat zij hun weg verkeerd, en YHWH, hun God, vergeten hebben.
22Keer weer, u afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want U bent YHWH, onze God!
23Werkelijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte van de bergen; werkelijk, in YHWH, onze God, is Israëls heil!
24Want de schaamte heeft de arbeid van onze vaders opgegeten, van onze jeugd aan; hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochters.
25Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen YHWH, onze God, gezondigd, wij en onze vaders, van onze jeugd aan tot op deze dag; en wij zijn aan de stem van YHWH, onze God, niet gehoorzaam geweest.