Jeremia 30
Lees Jeremia 30 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Jeremia ontvangt bevel deze woorden van de HEERE in een boek te schrijven, vers 1, 2. profetie over de lichamelijke verlossing uit Babel en de geestelijke door Christus, alsmede de genade en zegeningen die God aan Zijn kerk zal bewijzen, niettegenstaande hun grote ellende, benauwdheden, breuken en wonden, 3. maar Gods onweer zal blijven over de goddelozen, 23.
1Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is van JAHWEH, zeggende:
2Zo spreekt JAHWEH, de God van Israël, zeggende: Schrijf u al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, in een boek.
3Want zie, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik de gevangenis van Mijn volk, Israël en Juda, wenden zal, zegt JAHWEH; en Ik zal hen teruggeven in het land, dat Ik hun vaders gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten.
4En dit zijn de woorden, die JAHWEH gesproken heeft van Israël en van Juda.
5Want zo zegt JAHWEH: Wij horen een stem van de verschrikking; er is vrees en geen vrede.
6Vraag toch en ziet, of een man baart? Waarom zie Ik dan de handen van iedere man op zijn middel, als van een barende vrouw, en alle aangezichten veranderd in bleekheid?
7O wee! want die dag is zo groot, dat zijn gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden.
8Want het zal op die dag gebeuren, spreekt JAHWEH van de legermachten, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken, en uw banden verscheuren zal; en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen.
9Maar zij zullen dienen JAHWEH, hun God, en hun koning David, die Ik hun verwekken zal.
10U dan, vrees niet, o Mijn knecht Jakob! spreekt JAHWEH, ontzet u niet, Israël! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land van hun gevangenis; en Jakob zal terugkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die hem verschrikke.
11Want Ik ben met u, spreekt JAHWEH, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarheen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u straffen met mate, en u niet geheel onschuldig houden.
12Want zo zegt JAHWEH: Uw breuk is dodelijk, uw plaag is pijnlijk.
13Er is niemand, die uw zaak oordeelt, aangaande het gezwel; u hebt geen heelpleisters.
14Al uw liefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u; want Ik heb u geslagen met de plaag van een vijand, met de vergelding van een wrede; om de grootheid van uw ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn.
15Wat krijt u over uw breuk, dat uw smart dodelijk is? Om de grootheid van uw ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn, heb Ik u deze dingen gedaan.
16Daarom, allen, die u opeten, zullen opgegeten worden, en al uw tegenstanders, zij allen zullen gaan in gevangenis; en die u beroven, zullen ter beroving zijn, en allen, die u plunderen, zal Ik ter plundering overgeven.
17Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt JAHWEH; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij; niemand vraagt naar haar.
18Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal de gevangenis van de tenten van Jakob wenden, en Mij over hun woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haar hoop, en het paleis zal liggen naar zijn wijze.
19En van hen zal dankzegging uitgaan, en een stem van de spelenden; en Ik zal hen vermeerderen, en zij zullen niet verminderd worden, en Ik zal hen verheerlijken, en zij zullen niet gering worden.
20En zijn zonen zullen zijn als vroeger, en zijn gemeente zal voor Mijn aangezicht bevestigd worden; en Ik zal bezoeking doen over al zijn onderdrukkers.
21En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij naderen; want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te naderen? spreekt JAHWEH.
22En u zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn.
23Zie, een onweer van JAHWEH, een woede is uitgegaan, een aanhoudend onweer; het zal blijven op het hoofd van de goddelozen.
24De hitte van de toorn van JAHWEH zal zich niet afwenden, voordat Hij gedaan, en voordat Hij daargesteld zal hebben de gedachten van Zijn hart; in het laatste van de dagen zult u daarop letten.