Jeremia 31
Lees Jeremia 31 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Verdere profetie (onder het voorbeeld van de verlossing uit de Babylonische gevangenschap) over de vergadering, oprichting en zegeningen van de algemene kerk van de uitverkoren Joden en heidenen, door de Messias Jezus Christus, vers 1, enz. over het nieuwe genadeverbond, 31. Over de vastheid en uitbreiding van de kerk, 35.
1Ter zelfder tijd, spreekt JAHWEH, zal Ik alle geslachten van Israël tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn.
2Zo zegt JAHWEH: Het volk van de overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als Ik heenging om hem tot rust te brengen.
3JAHWEH is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.
4Ik zal u weer bouwen, en u zult gebouwd worden, o jonkvrouw van Israël! u zult weer versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met de rei van de spelenden.
5U zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten.
6Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraïms gebergte zullen roepen: Maak u op, en laat ons opgaan naar Sion, tot JAHWEH, onze God!
7Want zo zegt JAHWEH: Roep luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd van de heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O JAHWEH! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israël.
8Zie, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen verzamelen van de zijden van de aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden samen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts terugkomen.
9Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechte weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene.
10Hoort het woord van JAHWEH, u heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weer verzamelen, en hem bewaren als een herder zijn kudde.
11Want JAHWEH heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand van degene, die sterker was dan hij.
12Daarom zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot het goed van JAHWEH, tot het koren, en tot de nieuwe wijn, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.
13Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in de rei, daartoe de jongemannen en ouden samen; want Ik zal hun rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis.
14En Ik zal de ziel van de priesters met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt JAHWEH.
15Zo zegt JAHWEH: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.
16Zo zegt JAHWEH: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, spreekt JAHWEH; want zij zullen uit het land van de vijand terugkomen.
17En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt JAHWEH; want uw kinderen zullen terugkomen tot hun gebied.
18Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt, zeggende: U hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want U bent JAHWEH, mijn God!
19Zeker, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelf ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaad van mijn jeugd gedragen heb.
20Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstig aan hem; daarom rommelt Mijn binnenste over hem; Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, spreekt JAHWEH.
21Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op de weg, die u gewandeld hebt; keer weer, o jonkvrouw van Israël, keer weer tot deze uw steden!
22Hoe lang zult u zich onttrekken, u afkerige dochter? Want JAHWEH heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal de man omvangen.
23Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: JAHWEH zegene u, u woning van de gerechtigheid, u berg van de heiligheid!
24En Juda, en ook al zijn steden, zullen samen daarin wonen; de akkerlieden, en die met de kudde reizen.
25Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.
26(Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)
27Zie, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten.
28En het zal gebeuren, zoals Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; zo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt JAHWEH.
29In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden.
30Maar ieder zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden.
31Zie, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;
32Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaders gemaakt heb, op de dag als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt JAHWEH;
33Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt JAHWEH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
34En zij zullen niet meer, ieder zijn naaste, en ieder zijn broer, leren, zeggende: Ken JAHWEH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt JAHWEH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en van hun zonden niet meer gedenken.
35Zo zegt JAHWEH, Die de zon ten lichte geeft overdag, de ordeningen van de maan en van de sterren ten lichte in de nacht, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, JAHWEH van de legermachten is Zijn Naam:
36Als deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt JAHWEH, zo zal ook het zaad van Israël ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.
37Zo zegt JAHWEH: Als de hemelen daarboven gemeten, en de fundamenten van de aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het hele zaad van Israël verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt JAHWEH.
38Zie, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat deze stad voor JAHWEH zal herbouwd worden, van de toren Hananeel af tot aan de Hoekpoort.
39En het meetsnoer zal verder daarnaast uitgaan tot aan de heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden.
40En het hele dal van de dode lichamen en van de as, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan de hoek van de Paardenpoort tegen het oosten, zal JAHWEH een heiligheid zijn; er zal niets weer uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid.