BijbelJeremia

Jeremia 33

Lees Jeremia 33 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

God profeteert verder over de inneming van Jeruzalem, de wegvoering van het volk en de terugbrenging uit Babel, alsmede een zalige, vrolijke en geruste toestand, vers 1, enz. over de zending van Christus, Zijn eeuwige en vaste Koninkrijk, Priesterschap en begenadigd zaad, 14.

1Verder kwam het woord van JAHWEH voor de tweede keer tot Jeremia, als hij nog in het voorhof van de bewaring was opgesloten, zeggende:

2Zo zegt JAHWEH, Die het doet, JAHWEH, Die dat vormt, opdat Hij het bevestige, JAHWEH is Zijn Naam;

3Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die u niet weet.

4Want zo zegt JAHWEH, de God van Israël, van de huizen van deze stad, en van de huizen van de koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken:

5Er zijn er wel ingekomen, om te strijden tegen de Chaldeeën, maar het is om die te vullen met dode lichamen van mensen, die Ik verslagen heb in Mijn toorn en in Mijn woede; en omdat Ik Mijn aangezicht van deze stad verborgen heb, om al hun boosheid.

6Zie, Ik zal haar de gezondheid en de genezing doen rijzen, en zal hen genezen, en zal hun openbaren overvloed van vrede en waarheid.

7En Ik zal de gevangenis van Juda en de gevangenis van Israël wenden, en zal ze bouwen als in het eerste.

8En Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, waarmee zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal vergeven al hun ongerechtigheden, waarmee zij tegen Mij gezondigd en waarmee zij tegen Mij overtreden hebben.

9En het zal Mij zijn tot een vrolijke naam, tot een roem, en tot een sieraad bij alle heidenen van de aarde; die al het goede zullen horen, dat Ik hun doe; en zij zullen vrezen en beroerd zijn over al het goede, en over al de vrede, die Ik hun beschikke.

10Zo zegt JAHWEH: In deze plaats (waarvan u zegt: Zij is woest, dat er geen mens en geen beest in is), in de steden van Juda, en op de straten van Jeruzalem, die zo verwoest zijn, dat er geen mens, en geen inwoner, en geen beest in is, zal opnieuw gehoord worden,

11De stem van de vrolijkheid en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, de stem van degenen, die zeggen: Loof JAHWEH van de legermachten, want JAHWEH is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid! de stem van degenen, die lof aanbrengen in het huis van JAHWEH; want Ik zal de gevangenis van het land wenden, als in het eerste, zegt JAHWEH.

12Zo zegt JAHWEH van de legermachten: In deze plaats, die zo woest is, dat er geen mens, zelfs tot het vee toe, in is, en ook in al de steden daarvan, zullen opnieuw woningen zijn van herders, die de kudden doen legeren.

13In de steden van het gebergte, in de steden van de laagte, en in de steden van het zuiden, en in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, zullen de kudden opnieuw onder de handen van de teller doorgaan, zegt JAHWEH.

14Zie, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis van Israël en over het huis van Juda gesproken heb.

15In die dagen, en in die tijd zal Ik David een SPRUIT van de gerechtigheid doen uitspruiten; en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde.

16In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en deze is, die haar roepen zal: JAHWEH, onze GERECHTIGHEID.

17Want zo zegt JAHWEH: Aan David zal niet worden afgesneden een Man, Die op de troon van het huis van Israël zitte.

18Ook zal aan de Levietische priesters, van voor Mijn aangezicht, niet worden afgesneden een Man, Die brandoffer offere, en voedseloffer aansteke, en slachtoffer bereide al de dagen.

19En het woord van JAHWEH kwam tot Jeremia, zeggende:

20Zo zegt JAHWEH: Als u Mijn verbond van de dag; en Mijn verbond van de nacht kunt vernietigen, zodat dag en nacht niet zijn op hun tijd;

21Zo zal ook vernietigd kunnen worden Mijn verbond met Mijn knecht David, dat hij geen zoon hebbe, die op zijn troon regere, en met de Levieten, de priesters, Mijn dienaren.

22Gelijk het leger van de hemel niet geteld, en het zand van de zee niet gemeten kan worden, zo zal Ik vermenigvuldigen het zaad van Mijn knecht David, en de Levieten, die Mij dienen.

23Verder kwam het woord van JAHWEH tot Jeremia, zeggende:

24Hebt u niet gezien, wat dit volk spreekt, zeggende: De twee geslachten, die JAHWEH gekozen had, die heeft Hij nu verworpen? Ja, zij versmaden Mijn volk, zodat het geen volk meer is voor hun aangezicht.

25Zo zegt JAHWEH: Als Mijn verbond niet is van dag en nacht; als Ik de ordeningen van de hemel en van de aarde niet gesteld heb;

26Zo zal Ik ook het zaad van Jakob en van Mijn knecht David verwerpen, dat Ik van zijn zaad niet neme, die daar heerse over het zaad van Abraham, Izak en Jakob; want Ik zal hun gevangenis wenden en Mij over hen ontfermen.