BijbelJeremia

Jeremia 36

Lees Jeremia 36 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Jeremia laat, op Gods bevel, Baruch zijn profetieën op een grote rol schrijven en op de vastendag in het huis van de HEERE aan het hele volk daaruit voorlezen, vers 1, enz. Dit wordt de vorsten van de koning gemeld, die Baruch met de rol terstond ontbieden, en nadat zij zich daaruit hebben laten voorlezen, brengen zij de zaak bij de koning Jojakim, 11. die de rol laat halen, en nadat hij een gedeelte daaruit heeft horen lezen, snijdt hij de rol stuk en werpt die in het vuur en verbrandt die, niettegenstaande dat enige van de vorsten hem daarvan afmaanden, 21. beveelt Jeremia en Baruch te vangen, wat God voorkomt, 26. Jeremia laat al deze en meer dergelijke profetieën, op Gods bevel, weer op een andere rol schrijven, en voorzegt de koning, stad en land hun straffen, 27.

1Het gebeurde ook in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, dat dit woord van JAHWEH tot Jeremia kwam, zeggende:

2Neem u een rol van het boek, en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, over Israël, en over Juda, en over al de volken, van de dag aan, dat Ik tot u gesproken heb, van de dagen van Josia aan, tot op deze dag.

3Misschien zullen die van het huis van Juda horen al het kwaad, dat Ik hun gedenk te doen; opdat zij zich bekeren, ieder van zijn boze weg, en Ik hun ongerechtigheid en hun zonde vergeve.

4Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Nerija; en Baruch schreef uit de mond van Jeremia alle woorden van JAHWEH, die Hij tot hem gesproken had, op een rol van het boek.

5En Jeremia gebood Baruch, zeggende: Ik ben opgehouden, ik zal in het huis van JAHWEH niet kunnen gaan.

6Zo ga zelf heen, en lees in de rol, waarin u uit mijn mond geschreven hebt, de woorden van JAHWEH, voor de oren van het volk, in het huis van JAHWEH, op de vastendag; en u zult ze ook lezen voor de oren van geheel Juda, die uit hun steden komen.

7Misschien zal hun smeking voor het aangezicht van JAHWEH neervallen, en zij zullen zich bekeren, ieder van zijn boze weg; want groot is de toorn en de woede, die JAHWEH tegen dit volk heeft uitgesproken.

8En Baruch, de zoon van Nerija, deed naar alles, wat hem de profeet Jeremia geboden had, lezende in dat boek de woorden van JAHWEH, in het huis van JAHWEH.

9Want het gebeurde in het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, in de negende maand, dat zij een vasten voor het aangezicht van JAHWEH uitriepen, al het volk te Jeruzalem, en ook al het volk, die uit de steden van Juda te Jeruzalem kwamen.

10Zo las Baruch in dat boek de woorden van Jeremia in het huis van JAHWEH, in de kamer van Gemarja, de zoon van Safan, de schrijver, in het bovenste voorhof, aan de deur van de nieuwe poort van het huis van JAHWEH, voor de oren van het hele volk.

11Als nu Michaja, de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, al de woorden van JAHWEH uit dat boek gehoord had;

12Zo ging hij af in het huis van de koning in de kamer van de schrijver; en zie, daar zaten al de vorsten: Elisama, de schrijver, en Delaja, de zoon van Semaja, en Elnathan, de zoon van Achbor, en Gemarja, de zoon van Safan, en Zedekia, de zoon van Hananja, en al de vorsten.

13En Michaja maakte hun bekend al de woorden, die hij gehoord had, als Baruch uit dat boek las voor de oren van het volk.

14Toen zonden al de vorsten Jehudi, de zoon van Nethanja, de zoon van Selemja, de zoon van Cuschi, tot Baruch, om te zeggen: De rol, waarin u voor de oren van het volk gelezen hebt, neem die in uw hand, en kom. Zo nam Baruch, de zoon van Nerija, de rol in zijn hand, en kwam tot hen.

15En zij zeiden tot hem: Zit toch neer, en lees ze voor onze oren; en Baruch las voor hun oren.

16En het gebeurde, als zij al de woorden hoorden, dat zij verschrikten, de één tegen de ander; en zij zeiden tot Baruch: Voorzeker zullen wij al deze woorden de koning bekend maken.

17En zij vraagden Baruch, zeggende: Verklaar ons toch, hoe hebt u al deze woorden uit zijn mond geschreven?

18En Baruch zei tot hen: Uit zijn mond las hij tot mij al deze woorden, en ik schreef ze met inkt in dit boek.

19Toen zeiden de vorsten tot Baruch: Ga heen, verberg u, u en Jeremia; en niemand wete, waar u bent.

20Zij dan gingen in tot de koning in het voorhof; maar de rol legden zij weg in de kamer van Elisama, de schrijver; en zij verklaarden al die woorden voor de oren van de koning.

21Toen zond de koning Jehudi, om de rol te halen; en hij haalde ze uit de kamer van Elisama, de schrijver; en Jehudi las ze voor de oren van de koning, en voor de oren van al de vorsten, die rondom de koning stonden.

22(De koning nu zat in het winterhuis in de negende maand; en er was een vuur voor zijn aangezicht op de haard aangestoken.)

23En het gebeurde, als Jehudi drie stukken, of vier gelezen had, versneed hij ze met een schrijfmes, en wierp ze in het vuur, dat op de haard was, totdat de hele rol verteerd was in het vuur, dat op de haard was.

24En zij verschrikten niet, en scheurden hun kleren niet, de koning noch al zijn knechten, die al deze woorden gehoord hadden.

25Hoewel ook Elnathan, en Delaja, en Gemarja bij de koning daarvoor spraken, dat hij de rol niet zou verbranden; maar hij hoorde niet naar hen.

26Daartoe gebood de koning aan Jerahmeel, de zoon van Hammelech, en Zeraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdeël, om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia te vangen. Maar JAHWEH had hen verborgen.

27Toen kwam het woord van JAHWEH tot Jeremia, nadat de koning de rol en de woorden, die Baruch geschreven had uit de mond van Jeremia, verbrand had, zeggende:

28Neem u weer een andere rol, en schrijf daarop al de eerste woorden, die geweest zijn op de eerste rol, die Jojakim, de koning van Juda, verbrand heeft.

29En tot Jojakim, de koning van Juda, zult u zeggen: Zo zegt JAHWEH: U hebt deze rol verbrand, zeggende: Waarom hebt u daarop geschreven, zeggende: De koning van Babel zal zeker komen, en dit land verderven, en maken, dat mens en beest daarin ophouden?

30Daarom zegt JAHWEH zo van Jojakim, de koning van Juda: Hij zal niemand hebben, die op Davids troon zitte; en zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, overdag in de hitte, en in de nacht in de vorst.

31En Ik zal over hem, en over zijn zaad, en over zijn knechten hun ongerechtigheid bezoeken; en Ik zal over hen, en over de inwoners van Jeruzalem, en over de mannen van Juda, al het kwaad brengen, dat Ik tot hen gesproken heb; maar zij hebben niet gehoord.

32Jeremia dan nam een andere rol, en gaf ze aan de schrijver Baruch, de zoon van Nerija; die schreef daarop, uit de mond van Jeremia, al de woorden van het boek, dat Jojakim, de koning van Juda, met vuur verbrand had; en daartoe werden nog veel dergelijke woorden toegedaan.