Jeremia 40
Lees Jeremia 40 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Als inleiding op Jeremia's verdere profetieën tot de overgebleven Joden, wordt hier verhaald hoe hij, uit het midden van de gevangenen gehaald en zeer gunstig bejegend zijnde, zich begeven heeft bij Gedalja te Mizpa, vers 1, enz. waar alle gevluchte en in het land overgelaten Joden zich voegen, en door Gedalja getroost en vermaand worden, 7. sommigen van hen (in het bijzonder Johanan) waarschuwen Gedalja voor Ismaël, maar hij gelooft hen niet, 13.
1Het woord, dat van JAHWEH gebeurd is tot Jeremia, nadat Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, hem had laten gaan van Rama; als hij hem had laten halen, daar hij met ketenen gebonden was in het midden van alle gevangenen van Jeruzalem en Juda, die naar Babel als gevangene werden weggevoerd.
2Want de overste van de lijfwachten liet Jeremia halen, en zei tot hem: JAHWEH, uw God, heeft dit kwaad over deze plaats gesproken.
3En JAHWEH heeft het doen komen, en gedaan, zoals Hij gesproken had; want u hebt gezondigd tegen JAHWEH, en Zijn stem niet gehoorzaamd; daarom is u deze zaak gebeurd.
4Nu dan, zie, ik heb u vandaag losgemaakt van de ketenen, die aan uw hand waren; als het goed is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo kom, en ik zal mijn oog op u stellen; maar als het kwaad is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo laat het; zie, het hele land is voor uw aangezicht, waarheen het goed en recht in uw ogen is te gaan, ga daar.
5En omdat hij nog niet zal terugkeren, zo keer u tot Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, die de koning van Babel over de steden van Juda gesteld heeft; en woon bij hem in het midden van het volk; of overal, waar het in uw ogen recht is te gaan, ga er heen. En de overste van de lijfwachten gaf hem reiskost en een geschenk, en liet hem gaan.
6Zo kwam Jeremia tot Gedalia, de zoon van Ahikam, te Mizpa; en hij woonde bij hem in het midden van het volk, die in het land waren overgelaten.
7Toen nu alle oversten van de legers, die in het veld waren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia, de zoon van Ahikam, over het land gesteld had, en dat hij aan hem bevolen had de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en van de armsten van het land, van degenen, die niet naar Babel als gevangene waren weggevoerd;
8Zo kwamen zij tot Gedalia te Mizpa, namelijk, Ismaël, de zoon van Nethanja, en Johanan en Jonathan, de zonen van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, en de zonen van Efai, de Netofathiet, en Jezanja, de zoon van een Maachathiet, zij en hun mannen.
9En Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, zwoer hun en hun mannen, zeggende: Vrees niet van de Chaldeeën te dienen; blijf in het land, en dient de koning van Babel, zo zal het u welgaan.
10En ziet, ik woon te Mizpa, om te staan voor het aangezicht van de Chaldeeën, die tot ons zullen komen; u dan verzamelt wijn, en zomervruchten, en olie, en doet ze in uw kruiken, en woont in uw steden, die u hebt ingenomen.
11Als ook al de Joden, die in Moab, en onder de kinderen Ammons, en in Edom, en die in al die landen waren, hoorden, dat de koning van Babel in Juda een overblijfsel gelaten had; en dat hij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, over hen gesteld had;
12Zo keerden al de Joden weer uit al de plaatsen, waarheen zij gedreven waren, en kwamen in het land van Juda tot Gedalia te Mizpa; en zij verzamelden zeer veel wijn en zomervruchten.
13Maar Johanan, de zoon van Kareah, en alle oversten van de legers, die in het veld waren, kwamen tot Gedalia te Mizpa;
14En zeiden tot hem: Weet u wel, dat Baälis, de koning van de kinderen Ammons, Ismaël, de zoon van Nethanja, uitgezonden heeft, om u aan het leven te slaan? Maar Gedalia, de zoon van Ahikam, geloofde hen niet.
15Johanan toch, de zoon van Kareah, sprak tot Gedalia, in het verborgene, te Mizpa, zeggende: Laat mij toch heengaan, en Ismaël, de zoon van Nethanja, slaan, en niemand zal het weten; waarom zou hij u aan het leven slaan, en geheel Juda, die tot u verzameld zijn, verstrooid worden, en het overblijfsel van Juda verloren gaan?
16Maar Gedalia, de zoon van Ahikam, zei tot Johanan, de zoon van Kareah: Doe deze zaak niet, want u spreekt vals van Ismaël.