Jeremia 44
Lees Jeremia 44 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Jeremia stelt het volk in Egypte de voorgaande zonden en straffen van Juda voor ogen, vers 1, enz. profeteert hun evenzo het verderf in Egypte, 11. De wanhopige koppigheid van de Joden tegen deze profetie, 15. waarover de profeet hen andermaal zwaar dreigt en als teken voorzegt wat de koning van Egypte zal overkomen, 20.
1Het woord, dat tot Jeremia kwam aan al de Joden, die in Egypteland woonden, die te Migdol woonden, en te Tachpanhes, en te Nof, en in het land Pathros, zeggende:
2Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: U hebt gezien al het kwaad, dat Ik gebracht heb over Jeruzalem en over alle steden van Juda; en ziet, zij zijn een woestheid op deze dag, en niemand woont daarin;
3Vanwege hun boosheid, die zij gedaan hebben, om Mij te tergen, gaande om te roken en andere goden te dienen, die zij niet kenden, zij, u, noch uw vaders.
4En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Doe toch deze gruwelijke zaak niet, die Ik haat.
5Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, om zich van hun boosheid te bekeren, dat zij aan andere goden niet roken.
6Daarom is Mijn woede en Mijn toorn uitgestort, en heeft gebrand in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; zodat zij tot eenzaamheid en tot verwoesting geworden zijn, zoals het is op deze dag.
7En nu, zo zegt JAHWEH, de God van de legermachten, de God van Israël: Waarom doet u zulk een groot kwaad tegen uw zielen, opdat u zich de man en de vrouw, het kind en de zuigeling uit het midden van Juda uitroeit, opdat u zich geen overblijfsel overlaat?
8Tergende Mij door de werken van uw handen, rokende aan andere goden in het land van Egypte, alwaar u gekomen bent, om daar als vreemdeling te verkeren; opdat u uzelf uitroeit, en opdat u wordt tot een vloek, en tot een smaad onder alle volken van de aarde?
9Hebt u vergeten de boosheden van uw vaders, en de boosheden van de koningen van Juda, en de boosheden van hun vrouwen, en uw boosheden, en de boosheden van uw vrouwen, die zij gedaan hebben in het land van Juda en in de straten van Jeruzalem?
10Zij zijn tot op deze dag nog niet verbrijzeld van hart, en zij hebben niet gevreesd, noch gewandeld in Mijn wet en in Mijn voorschriften, die Ik voor uw aangezicht en voor het aangezicht van uw vaders gegeven heb.
11Daarom, zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal Mijn aangezicht tegen u stellen ten kwade, en om geheel Juda uit te roeien.
12En Ik zal het overblijfsel van Juda wegnemen, die hun aangezichten gesteld hebben, om in Egypteland te gaan, om daar als vreemdelingen te verkeren; en zij zullen allen in Egypteland verteerd worden; door het zwaard zullen zij vallen, door de honger zullen zij verteerd worden, van de kleinste tot de grootste toe; door het zwaard en door de honger zullen zij sterven; en zij zullen worden tot een vervloeking, tot een ontzetting en tot een vloek, en tot een smaad.
13Want Ik zal bezoeking doen over degenen, die in Egypteland wonen, zoals Ik bezoeking gedaan heb over Jeruzalem, door het zwaard, door de honger en door de pest;
14Zodat het overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om daar als vreemdelingen te verkeren, niemand zal hebben, die ontkome, of overblijve; te weten om weer te keren in het land van Juda, waarnaar hun ziel verlangt weer te keren, om daar te wonen; maar zij zullen er niet terugkeren, behalve die ontkomen zullen.
15Toen antwoordden aan Jeremia al de mannen, die wisten, dat hun vrouwen aan andere goden rookten, en al de vrouwen, die daar stonden, zijnde een grote hoop, en ook al het volk, die in Egypteland, in Pathros, woonde, zeggende:
16Voor wat betreft het woord, dat u tot ons in de Naam van JAHWEH gesproken hebt, wij zullen naar u niet horen.
17Maar wij zullen geheel doen al wat uit onze mond is uitgegaan, rokende aan Melecheth van de hemel, en haar drankoffers offerende, zoals wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; toen werden wij met brood verzadigd, en waren vrolijk, en zagen geen kwaad.
18Maar van toen af, dat wij opgehouden hebben aan Melecheth van de hemel te roken, en haar drankoffers te offeren, hebben wij van alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door de honger verteerd.
19Ook wanneer wij aan Melecheth van de hemel roken en haar drankoffers offeren, maken wij haar gebeelde koeken, om haar af te beelden, en offeren wij haar drankoffers, zonder onze mannen?
20Toen sprak Jeremia tot al het volk, tot de mannen en tot de vrouwen, en tot al het volk, die hem dat geantwoord hadden, zeggende:
21Het roken, dat u in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gerookt hebt, u en uw vaders, uw koningen en uw vorsten, en het volk van het land, heeft JAHWEH daaraan niet gedacht, en is het niet in Zijn hart opgekomen?
22Zodat JAHWEH niet meer kon verdragen, vanwege de boosheid van uw handelingen, vanwege de gruwelijke dingen, die u deed; daarom is uw land geworden tot een woestheid, en tot ontzetting, en tot een vloek, dat er niemand in woont, zoals het is op deze dag;
23Vanwege dat u gerookt hebt, en dat u tegen JAHWEH gezondigd hebt, en aan de stem van JAHWEH niet gehoorzaam bent geweest, en in Zijn wet en in Zijn voorschriften, en in Zijn getuigenissen niet hebt gewandeld; daarom is u dit kwaad overkomen, zoals het is op deze dag.
24Verder zei Jeremia tot al het volk, en tot al de vrouwen: Hoort het woord van JAHWEH, u geheel Juda, die in Egypteland bent!
25Zo spreekt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Voor wat betreft u en uw vrouwen, zij hebben toch met uw mond gesproken, en u hebt het met uw handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, geheel houden, rokende aan Melecheth van de hemel, en haar drankoffers offerende; nu, zij hebben uw geloften volkomen bevestigd en uw geloften volkomen gehouden.
26Daarom hoort het woord van JAHWEH, u geheel Juda, die in Egypteland woont! Zie, Ik zweer bij Mijn grote Naam, zegt JAHWEH, zo Mijn Naam met de mond van enig man van Juda in geheel Egypteland meer zal genoemd worden, die zegt: Zo waarachtig als Adonai JAHWEH leeft!
27Zie, Ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; en alle mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, totdat zij ten einde zijn.
28Maar die van het zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland terugkeren in het land van Juda, weinig in getal; en het hele overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om daar als vreemdelingen te verkeren, zullen weten, wiens woord bestaan zal, het Mijn of het hunne.
29En dit zal u het teken zijn, spreekt JAHWEH, dat Ik in deze plaats over u bezoeking zal doen; opdat u weet, dat Mijn woorden zeker over u bestaan zullen ten kwade;
30Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal Farao Hofra, de koning van Egypte, geven in de hand van zijn vijanden, en in de hand van degenen, die zijn ziel zoeken, zoals Ik Zedekia, de koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn vijand, en die zijn ziel zocht.