BijbelJeremia

Jeremia 49

Lees Jeremia 49 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Profetie tegen de Ammonieten, vers 1, enz. Edomieten, 7. Damascus en de Syriërs, 23. Kedar en Hazor, 28. en tegen Elam, met een bijgevoegde belofte, 34.

1Tegen de kinderen Ammons zegt JAHWEH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in diens steden?

2Daarom ziet, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik over Rabba van de kinderen Ammons een oorlogsgeschreeuw zal doen horen, en zij zal tot een woeste hoop worden, en haar bijbehorende plaatsen zullen met vuur aangestoken worden; en Israël zal erven degenen, die hem geërfd hadden, zegt JAHWEH.

3Huil, o Hesbon! want Ai is verstoord; krijt, u dochters van Rabba, gordt zakken aan, drijft luid weeklagen, en loopt om bij de tuinen; want Malcham zal wandelen in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten samen.

4Wat roemt u op uw dalen? Uw dal is weggevloten, u afkerige dochter! die op haar schatten vertrouwt, zeggende: Wie zou tegen mij komen?

5Zie, Ik zal vrees over u brengen, spreekt de Heere, JAHWEH van de legermachten, van allen, die rondom u zijn, en u zult, ieder voor zich heen, uitgedreven worden, en niemand zal de omdolende verzamelen.

6Maar daarna zal Ik de gevangenis van de kinderen Ammons wenden, spreekt JAHWEH.

7Tegen Edom zegt JAHWEH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hun wijsheid onnut geworden?

8Vlucht, wendt u, woont in diepe plaatsen, u inwoners van Dedan! want Ik heb Ezau's verderf over hem gebracht, de tijd, dat Ik hem bezocht heb.

9Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten? Zo er dieven bij nacht gekomen waren, zouden zij niet verdorven hebben zoveel hun genoeg was?

10Maar Ik heb Ezau ontbloot, Ik heb zijn verborgen plaatsen ontdekt, dat hij zich niet zal kunnen versteken; zijn zaad is verstoord, ook zijn broers, en zijn buren, en hij is er niet meer.

11Laat uw wezen achter, en Ik zal hen in het leven behouden, en laat uw weduwen op Mij vertrouwen.

12Want zo zegt JAHWEH: Zie, degenen van wie het oordeel het niet is de beker te drinken, zullen geheel drinken; en zou u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden, maar u zult geheel drinken.

13Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, spreekt JAHWEH, dat Bozra worden zal tot een ontzetting, tot een smaad, tot een woestheid, en tot een vloek; en al haar steden zullen worden tot eeuwige woestheden.

14Ik heb een gerucht gehoord van JAHWEH, en er is een gezant geschikt onder de heidenen, om te zeggen: Verzamelt u, en komt aan tegen haar, en maakt u op ten strijde.

15Want zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, veracht onder de mensen.

16Uw schrikkelijkheid heeft u bedrogen, en de trotsheid van uw hart, u, die woont in de kloven van de steenrotsen, die u houdt op de hoogte van de heuvelen! Al zou u uw nest zo hoog maken als de adelaar, zo zal Ik u van daar neerstoten, spreekt JAHWEH.

17Zo zal Edom worden tot een ontzetting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al haar plagen.

18Zoals de omkering van Sodom en Gomorra en haar buren, zal het zijn, zegt JAHWEH; niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren.

19Zie, zoals een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou?

20Daarom hoort de raadslag van JAHWEH, die Hij over Edom heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over de inwoners van Theman: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen neertrekken! Als hij hun woning niet boven hen zal verwoesten!

21De aarde heeft gebeefd van het geluid van hun val, van het hulpgeroep, waarvan het geluid gehoord is bij de Schelfzee.

22Zie, hij zal opkomen en snel vliegen, als een adelaar, en zijn vleugels over Bozra uitbreiden; en het hart van Edoms helden zal op die dag wezen, als het hart van een vrouw, die in nood is.

23Tegen Damascus. Beschaamd is Hamath en Arpad; omdat zij een boos gerucht gehoord hebben, zijn zij gesmolten; bij de zee is bezorgdheid, men kan er niet rusten.

24Damascus is slap geworden, zij heeft zich gewend, om te vluchten, en siddering heeft haar aangegrepen; benauwdheid en smarten als van een barende vrouw hebben haar bevangen;

25Hoe is de beroemde stad niet gelaten, de stad van Mijn vrolijkheid!

26Daarom zullen haar jongemannen vallen op haar straten; en al haar soldaten zullen op die dag neergehouwen worden, spreekt JAHWEH van de legermachten.

27En Ik zal een vuur aansteken in de muur van Damascus, en het zal Benhadads paleizen verteren.

28Tegen Kedar, en tegen de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, zegt JAHWEH zo: Maak u op, trekt op tegen Kedar, en verstoort de kinderen van het oosten.

29Zij zullen hun tenten en hun kudden nemen, hun gordijnen en al hun gereedschap, en hun kamelen voor zich wegnemen; en zij zullen tegen hen uitroepen: Schrik van rondom!

30Vlucht, zwerft fluks heen weg, woont in diepe plaatsen, u inwoners van Hazor! spreekt JAHWEH; want Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft een raadslag tegen u beraadslaagd, en een gedachte tegen hen gedacht.

31Maak u op, trekt op tegen het volk, dat rust heeft, dat in zekerheid woont, spreekt JAHWEH; dat geen deuren noch grendel heeft, die alleen wonen.

32En hun kamelen zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en Ik zal hen verstrooien in alle winden, te weten degenen, die aan de hoeken afgekort zijn; en Ik zal hun verderf van al zijn zijden aanbrengen, spreekt JAHWEH.

33En Hazor zal worden tot een drakenwoning, een verwoesting tot in eeuwigheid; niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren.

34Het woord van JAHWEH, dat tot de profeet Jeremia gebeurd is tegen Elam, in het begin van het koninkrijk van Zedekia, de koning van Juda, zeggende:

35Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Zie, Ik zal verbreken Elams boog, het voornaamste van hun geweld.

36En Ik zal de vier winden uit de vier hoeken van de hemel over Elam aanbrengen, en zal hen in al die winden verstrooien; en er zal geen volk zijn, waarheen Elams verdrevenen niet zullen komen.

37En Ik zal Elam versaagd maken voor het aangezicht van hun vijanden, en voor het aangezicht van degenen, die hun ziel zoeken, en zal een kwaad over hen brengen, de hitte van Mijn toorn, spreekt JAHWEH; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben.

38En Ik zal Mijn troon in Elam stellen; en zal de koning en de vorsten van daar vernielen, spreekt JAHWEH;

39Maar het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat Ik Elams gevangenis wenden zal, spreekt JAHWEH.