BijbelJeremia

Jeremia 5

Lees Jeremia 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Klacht over de gruwelijke toestand van Jeruzalem en Juda: dat er geen vrome onder kleinen noch groten meer te vinden was, vers 1, 4, 5. dat allerlei grove zonden onder hen de overhand hadden, zoals vals en huichelachtig zweren, 2. hardnekkigheid en verstoktheid, 3, 21, 22, 23, 24. afgoderij, 7, 19. overspel en hoererij, 7, 8. verachting van Gods Woord en Zijn profeten, 11, 12, 13. rijkdom door boze dievenpraktijken, 26, 27. onrecht in het gericht, 28. de overhand van de valse profeten en slechte priesters, 31. om dit alles moet en zal God hen straffen door de Chaldeeën, 9, 14, 15, enz. zonder hen evenwel geheel te verdelgen, 10, 18.

1Ga om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe, en verneemt, en zoekt op haar straten, of u iemand vindt, of er één is, die recht doet, die waarheid zoekt, zo zal Ik haar genadig zijn.

2En of zij al zeggen: Zo waarachtig als JAHWEH leeft! zo zweren zij toch vals.

3O JAHWEH! zien Uw ogen niet naar waarheid? U hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; U hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren.

4Maar ik zei: Zeker, deze zijn arm; zij handelen dwaas, omdat zij de weg van JAHWEH, het recht van hun God niet weten.

5Ik zal gaan tot de groten, en met hen spreken, want die weten de weg van JAHWEH, het recht van hun God; maar zij hadden samen het juk verbroken, en de banden verscheurd.

6Daarom heeft hen een leeuw uit het woud verslagen, een wolf van de wildernissen zal hen verwoesten; een luipaard waakt tegen hun steden; al wie daaruit uitgaat, zal verscheurd worden; want hun overtredingen zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden.

7Hoe zou Ik u dat vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen, die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij overspel, en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis.

8Als welgevoederde hengsten zijn zij vroeg op; zij hunkeren ieder naar de huisvrouw van zijn naaste.

9Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt JAHWEH. Of zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is?

10Beklim haar muren, en verderft ze (maar maakt geen voleinding); doe haar spitsen weg, want zij zijn niet van JAHWEH.

11Want het huis van Israël en het huis van Juda hebben geheel trouweloos tegen Mij gehandeld, spreekt JAHWEH.

12Zij verloochenen JAHWEH, en zeggen: Hij is het niet, en ons zal geen kwaad overkomen, wij zullen noch zwaard noch honger zien.

13Ja, die profeten zullen tot wind worden, want het woord is niet bij hen; hun zelf zal het zo gebeuren.

14Daarom zegt JAHWEH, de God van de legermachten, zo, omdat u dit woord spreekt: Zie, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren.

15Zie, Ik zal over u een volk van verre brengen, o huis van Israël! spreekt JAHWEH; het is een sterk volk, het is een zeer oud volk, een volk, waarvan u de taal niet zult kennen, en niet horen, wat het spreken zal.

16Zijn pijlkoker is als een open graf; zij zijn allemaal helden.

17En het zal uw oogst en uw brood opeten, dat uw zonen en uw dochters zouden eten; het zal uw schapen en uw runderen opeten; het zal uw wijnstok en uw vijgeboom opeten; uw versterkte steden, waarop u vertrouwt, zal het arm maken, door het zwaard.

18Toch zal Ik ook in die dagen, spreekt JAHWEH, geen voleinding met u maken.

19En het zal gebeuren, wanneer u zult zeggen: Waarom heeft ons JAHWEH, onze God, al deze dingen gedaan? dat u tot hen zeggen zult: Zoals u Mij hebt verlaten, en vreemde goden in uw land gediend, zo zult u de uitlandse dienen, in een land, dat het uwe niet is.

20Verkondig dit in het huis van Jakob, en laat het horen in Juda, zeggende:

21Hoor nu dit, u dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.

22Zult u Mij niet vrezen? spreekt JAHWEH; zult u voor Mijn aangezicht niet beven? Die voor de zee het zand tot een paal gesteld heb, met een eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; hoewel haar golven zich bewegen, zo zullen zij toch niets uitrichten, hoewel zij bruisen, zo zullen zij toch daarover niet gaan.

23Maar dit volk heeft een afvallig en opstandig hart; zij zijn afgevallen en heengegaan;

24En zij zeggen niet in hun hart: Laat ons nu JAHWEH, onze God, vrezen, Die de regen geeft, zo vroege regen als spade regen, op Zijn tijd; Die ons de weken, de vastgestelde tijden van de oogst, bewaart.

25Uw ongerechtigheden wenden die dingen af, en uw zonden weren dat goede van u.

26Want onder Mijn volk worden goddelozen gevonden; een ieder van hen loert, gelijk zich de vogelvangers schikken; zij zetten een verderfelijke strik, zij vangen de mensen.

27Gelijk een kouw vol is van gevogelte, zo zijn hun huizen vol van bedrog; daarom zijn zij groot en rijk geworden.

28Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden van de bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak van de wezen, toch zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht van de armen niet.

29Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt JAHWEH; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?

30Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak gebeurt er in het land.

31De profeten profeteren vals, en de priesters heersen door hun handen; en Mijn volk heeft het graag zo; maar wat zult u aan het einde daarvan doen?