Jesaja 10
Lees Jesaja 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Een dreiging over de onrechtvaardige rechters en verdraaiers van het recht, vers 1 enzovoort, evenals tegen de Assyriers, 5, 12, 15, 16, 17, 18, die met het verderven van de Joden een ander doel hadden dan de Heere had, 7. Hun hoogmoed wordt beschreven, 8. God belooft dat Hij het overblijfsel van zijn kerk zal redden, 21, en dat spoedig, 25. De tocht van Sanherib die naar Jeruzalem oprukt, 28 enzovoort. Dreiging van God tegen hem, 33.
1Wee degenen, die ongerechte voorschriften inzetten, en de schrijvers, die moeite voorschrijven;
2Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht van de ellendigen van Mijn volk te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen!
3Maar wat zult u doen op de dag van de bezoeking, en van de verwoesting, die van verre komen zal? Tot wie zult u vluchten om hulp, en waar zult u uw heerlijkheid laten?
4Dat elk zich niet zou buigen onder de gevangenen, en vallen onder de gedoden? Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
5Wee de Assyriër, die de roede van Mijn toorn is, en Mijn woede is een stok in hun hand!
6Ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en Ik zal hem bevel geven tegen het volk van Mijn toorn; opdat hij de roof rove, en plundere de plundering, en stelle het ter vertreding, zoals het slijk van de straten.
7Hoewel hij het zo niet meent, en zijn hart zo niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te vernietigen, en uit te roeien niet weinig volken.
8Want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten al samen koningen?
9Is niet Kalno gelijk Karchemis? Is Hamath niet gelijk Arfad? Is niet Samaria gelijk Damascus?
10Zoals mijn hand gevonden heeft de koninkrijken van de afgoden, hoewel hun gesneden beelden beter zijn, dan die van Jeruzalem, en dan die van Samaria;
11Zoals ik gedaan heb aan Samaria en aan haar afgoden, zou ik zo niet kunnen doen aan Jeruzalem en aan haar afgoden?
12Want het zal gebeuren, als JAHWEH een einde zal gemaakt hebben van al Zijn werk op de berg Sion en te Jeruzalem, dan zal Ik te huis zoeken de vrucht van de grootsheid van het hart van de koning van Assyrië, en de pracht van de hoogheid van zijn ogen.
13Omdat hij gezegd heeft: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; en ik heb het gebied van de volken weggenomen, en heb hun voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen neerdalen;
14En mijn hand heeft gevonden het vermogen van de volken, als een nest, en ik heb de hele aarde samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of de bek opendeed, of piepte.
15Zal een bijl zich beroemen tegen die, die daarmee houwt? Zal een zaag pochen tegen die, die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen, die hem opheffen? Als men een stok opheft, is het geen hout?
16Daarom zal Adonai JAHWEH van de legermachten onder zijn vetten een magerheid zenden; en onder zijn heerlijkheid zal Hij een brand doen branden, als de brand van het vuur.
17Want het Licht van Israël zal tot een vuur zijn, en zijn Heilige tot een vlam, die in brand steken en verteren zal zijn doornen en zijn distelen, op één dag.
18Ook zal Hij verteren de heerlijkheid van zijn woud en van zijn vruchtbare veld; van de ziel af, tot het vlees toe; en hij zal zijn, zoals wanneer een vaandrager versmelt.
19En de overgebleven bomen van zijn woud zullen weinig in getal zijn, ja, een jongen zou ze opschrijven.
20En het zal gebeuren op die dag, dat het overblijfsel van Israël, en de ontkomenen van het huis van Jakob niet meer steunen zullen op die, die ze geslagen heeft; maar zij zullen steunen op JAHWEH, de Heilige van Israël, oprecht.
21Het overblijfsel zal terugkeren, het overblijfsel van Jakob, tot de sterke God!
22Want hoewel uw volk, o Israël! is gelijk het zand van de zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan terugkeren; de vernietiging is vast besloten, overvloeiende met gerechtigheid.
23Want een vernietiging, die vast besloten is, zal Adonai JAHWEH van de legermachten doen in het midden van dit hele land.
24Daarom zegt Adonai JAHWEH van de legermachten zo: Vrees niet, u Mijn volk, dat te Sion woont! voor Assur, als hij u met de roede zal slaan, en hij zijn staf tegen u zal opheffen, naar de wijze van de Egyptenaren;
25Want nog een klein weinig, zo zal volbracht worden de toorn, en Mijn toorn tot hun vernieling.
26Want JAHWEH van de legermachten zal tegen hem een gesel verwekken, gelijk de slachting van Midian was aan de rots van Oreb; en gelijk Zijn staf over de zee was, die Hij verheffen zal, naar de wijze van de Egyptenaren.
27En het zal gebeuren op diezelfde dag, dat zijn last zal afwijken van uw schouder, en zijn juk van uw hals; en het juk zal verdorven worden, omwille van de Gezalfde.
28Hij komt te Ajath, hij trekt door Migron; te Michmas legt hij zijn gereedschap af.
29Zij trekken door de doorgang, te Geba houden zij hun vernachting; Rama beeft, Gibeä Sauls vlucht.
30Roep luide met uw stem, u dochter van Gallim! laat ze horen tot Laïs toe, o ellendige Anathoth!
31Madmena vlucht weg, de inwoners van Gebim vluchten met hopen.
32Nog een dag blijft hij te Nob; hij zal er zijn hand bewegen tegen de berg van de dochter van Sion, de heuvel van Jeruzalem.
33Maar zie, Adonai JAHWEH van de legermachten zal met geweld de takken afkappen, en die hoog van gestalte zijn, zullen neergehouwen worden; en de verhevenen zullen vernederd worden.
34En Hij zal met ijzer de verwarde struiken van het woud omhouwen; en de Libanon zal vallen door de Heerlijke.