Jesaja 14
Lees Jesaja 14 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Belofte van de verlossing van het volk van God uit de Babylonische gevangenschap, en van de roeping van de heidenen, vers 1. Woorden waarmee de Babyloniers bespot worden, 4. God spoort de Perzen en Meden aan tot hun verderf, 21, en hun ondergang wordt opnieuw voorzegd, 22. Een dreiging over de Filistijnen, 29.
1Want JAHWEH zal Zich over Jakob ontfermen, en Hij zal Israël nog verkiezen, en Hij zal hen in hun land zetten; en de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, en zij zullen het huis van Jakob aanhangen.
2En de volken zullen hen aannemen, en in hun plaats brengen; en het huis van Israël zal hen erfelijk bezitten in het land van JAHWEH tot knechten en tot maagden; en zij zullen gevangen houden degenen, die hen gevangen hielden, en zij zullen heersen over hun drijvers.
3En het zal gebeuren op de dag wanneer u JAHWEH rust geven zal van uw smart, en van uw beroering, en van de harde dienstbaarheid, waarin men u heeft doen dienen;
4Dan zult u deze spreuk opnemen tegen de koning van Babel, en zeggen: Hoe houdt de drijver op? Hoe houdt de goudene op?
5JAHWEH heeft de stok van de goddelozen gebroken, de scepter van de heersers.
6Die de volken plaagde in toorn met een plaag zonder ophouden, die in toorn over de heidenen heerste, die wordt vervolgd, zonder dat het iemand afweren kan.
7De hele aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich.
8Ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds dat u daar neerligt, komt niemand tegen ons op, die ons afhouwe.
9Het dodenrijk van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als u kwam; het wekt om uwentwil de doden op, al de bokken van de aarde; het doet al de koningen van de heidenen van hun tronen opstaan.
10Die allemaal zullen antwoorden, en tot u zeggen: U bent ook ziek geworden, gelijk wij, u bent ons gelijk geworden.
11Uw hoogmoed is in het dodenrijk neergestort, met het geklank van uw luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken.
12Hoe bent u uit de hemel gevallen, o morgenster, u zoon van de dageraad! hoe bent u ter aarde neergehouwen, u, die de heidenen krenkte!
13En zei in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren van God verhogen; en ik zal mij zetten op de berg van de samenkomst aan de zijden van het noorden.
14Ik zal boven de hoogten van de wolken klimmen, ik zal de Allerhoogste gelijk worden.
15Ja, in het dodenrijk zult u neergestoten worden, aan de zijden van de kuil!
16Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?
17Die de wereld als een woestijn stelde, en haar steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los gaan naar huis toe?
18Al de koningen van de heidenen, zij allen liggen neer met eer, ieder in zijn huis;
19Maar u bent verworpen van uw graf, als een gruwelijke scheut, als een kleed van de gedoden, die met het zwaard doorstoken zijn; als die neerdalen in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam.
20U zult daarbij niet gevoegd worden in de begrafenis; want u hebt uw land verdorven, en uw volk gedood; het zaad van de boosdoeners zal in de eeuwigheid niet genoemd worden.
21Maak de slachting voor zijn kinderen gereed, omwille van de ongerechtigheid van hun vaders; dat zij niet opstaan, en de aarde erven, en de wereld vervullen met steden;
22Want Ik zal tegen hen opstaan, spreekt JAHWEH van de legermachten, en Ik zal van Babel uitroeien de naam en het overblijfsel, en de zoon en de zoonszoon, spreekt JAHWEH.
23En Ik zal hen stellen tot een erfenis van de nachtuilen, en tot waterpoelen; en Ik zal hen met een bezem van het verderf uitvagen, spreekt JAHWEH van de legermachten.
24JAHWEH van de legermachten heeft gezworen, zeggende: Als niet, zoals Ik gedacht heb, het zo gebeure, en gelijk Ik beraadslaagd heb, het bestaan zal!
25Dat Ik Assur in Mijn land zal verbreken, en hem op Mijn bergen vertreden; opdat zijn juk van hen afwijke, en zijn last van hun schouder wijke.
26Dit is de raadslag, die beraadslaagd is over dat hele land; en dit is de hand, die uitgestrekt is over alle volken.
27Want JAHWEH van de legermachten heeft het in Zijn raad besloten, wie zal het dan verbreken? en Zijn hand is uitgestrekt, wie zal ze dan keren?
28In het jaar, toen de koning Achaz stierf, gebeurde deze last.
29Verheug u niet, u geheel Palestina! dat de roede die u sloeg, gebroken is; want uit de wortel van de slang zal een basilisk voortkomen, en haar vrucht zal een vurige vliegende draak zijn.
30En de eerstgeborenen van de armen zullen weiden, en de armen zullen zeker neerliggen; uw wortel daarentegen zal Ik door de honger doden, en uw overblijfsel zal hij ombrengen.
31Huil, u poort, schreeuw, u stad! u bent gesmolten, u geheel Palestina! want van het noorden komt een rook, en er is geen eenzame in zijn samenkomsten.
32Wat zal men dan antwoorden de boden van het volk? Dat JAHWEH Sion gegrond heeft, opdat de bedrukten van Zijn volk een toevlucht daarin hebben zouden.