BijbelJesaja

Jesaja 16

Lees Jesaja 16 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Vermaning aan de Moabieten dat zij hun lammeren zouden brengen, vers 1, en dat zij zich tegenover de verdreven Joden vriendelijk en goedertieren zouden gedragen, 3. Maar omdat zij dat uit hoogmoed niet deden, 6, dreigt God hen dat zij zo verschrikkelijk uitgeroeid en vernietigd zouden worden, 7, dat de profeet medelijden met hen heeft, 9. Toch gaat hij voort met het verhalen van de ellende die hen nabij was, 10, en hij noemt de tijd wanneer het zou gebeuren, 14.

1Zend de lammeren van de heerser van het land van Sela af, naar de woestijn heen, tot de berg van de dochter van Sion.

2Anders zal het gebeuren, dat de dochters van Moab aan de doorwaadbare plaatsen van Arnon zullen zijn, als een zwervende vogel, uit het nest gedreven zijnde.

3Breng een raad aan, houd gericht, maakt uw schaduw op het midden van de middag, gelijk van de nacht; verberg de verdrevenen, en meld de omzwervende niet.

4Laat mijn verdrevenen onder u verkeren, o Moab! wees u hun een schuilplaats voor het aangezicht van de verstoorder; want de onderdrukker heeft een einde, de verstoring is te niet geworden, de vertreders zijn van de aarde verdaan.

5Want er zal een troon bevestigd worden in goedertierenheid, en daarop zal bestendig één zitten in de tent van David, één, die oordeelt en het recht zoekt, en voortvarend is in gerechtigheid.

6Wij hebben gehoord de hoogmoed van Moab, hij is zeer hoogmoedig; zijn hoogmoed, en zijn hoogmoed, en zijn toorn, zijn zo zijn grendels niet.

7Daarom zal Moab over Moab huilen, allemaal zullen zij huilen; over de fundamenten van Kir-Hareseth zult u zuchten, zeker, zij zijn gebroken.

8Want de velden van Hesbon zijn verflauwd, ook de wijnstok van Sibma, de heren van de heidenen hebben zijn uitgelezen planten verpletterd; zij reiken tot Jaëzer toe, zij dwalen door de woestijn; hun scheuten zijn uitgespreid, zij zijn gegaan over zee.

9Daarom beween ik, in het gehuil over Jaëzer, de wijnstok van Sibma, ik maak u doornat met mijn tranen, o Hesbon en Eleale! want het vreugdegeschrei over uw zomervruchten en over uw oogst is gevallen;

10Zo dat de blijdschap en vrolijkheid weggenomen is van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch enig gejuich gemaakt; de druiventreder treedt geen wijn uit in de wijnbakken, ik heb het vreugdegeschrei doen ophouden.

11Daarom rommelt mijn binnenste over Moab, als een harp, en mijn binnenste over Kir-Heres.

12En het zal gebeuren, als men zien zal, dat Moab vermoeid is geworden op de hoogten, dan zal hij in zijn heiligdom gaan om te aanbidden, maar hij zal niets uitrichten.

13Dit is het woord, dat JAHWEH tegen Moab gesproken heeft, van toen af.

14Maar nu spreekt JAHWEH, zeggende: Binnen drie jaar (als de jaren van een huurling), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.