BijbelJesaja

Jesaja 21

Lees Jesaja 21 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Profetie van de ondergang van de Babyloniers door de Perzen en Meden, vers 1, tot troost van het volk van God dat door hen geplaagd was, 2. Benauwdheid die hieruit voortkomt, 3. De profeet spreekt de Babyloniers spottend aan, 5. Visioen van de profeet, 6, aangaande de val van Babel, 9. Aanspraak aan de Joden, 10. Profetie van de straffen die de Edomieten zouden overkomen, 11, evenals het rotsachtige Arabie, 13. De barmhartigheid van het volk van Thema jegens de vluchtende Dedanieten, 14. Ondergang van Kedar, 16.

1De last van de woestijn aan de zee. Zoals de wervelwinden in het zuiden heen doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreselijk land.

2Een hard visioen is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden.

3Daarom zijn mijn lendenen vol van grote ziekte, bange weeën hebben mij aangegrepen, zoals de bange weeën van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.

4Mijn hart dwaalt, huivering verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.

5Bereid de tafel, zie toe, u wachter! eet, drink; maak u op, u vorsten, bestrijkt het schild!

6Want zo heeft de Heere tot mij gezegd: Ga heen, zet een wachter, laat hem aanzeggen, wat hij ziet.

7En hij zag een wagen, een paar ruiters, een wagen met ezels, een wagen met kameels; en hij merkte zeer nauw op, met grote opmerking.

8En hij riep: Een leeuw, Heere! ik sta op de wachttoren steeds bij dag, en op mijn hoede zet ik mij hele nachten.

9En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zei: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden van haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde.

10O mijn dorsing, en de tarwe van mijn dorsvloer! wat ik gehoord heb van JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, dat heb ik u aangezegd.

11De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter! wat is er van de nacht? Wachter! wat is er van de nacht?

12De wachter zei: De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht; wilt u vragen, vraagt; keer weer, komt.

13De last tegen Arabië. In het woud van Arabië zult u overnachten, o u reizende gezelschappen van Dedanieten!

14Kom de dorstige tegemoet met water; de inwoners van het land van Thema zijn de vluchtende met zijn brood bejegend.

15Want zij vluchten voor de zwaarden, voor het uitgetrokken zwaard, en voor de gespannen boog, en voor de zwarigheid van de oorlog.

16Want zo heeft JAHWEH tot mij gezegd: Nog binnen een jaar, zoals de jaren van een dagloner zijn, zo zal de heerlijkheid van Kedar ten onder gaan.

17En het overgebleven getal van de schutters, de helden van de Kedarenen, zullen minder worden, want JAHWEH, de God van Israël heeft het gesproken.