Jesaja 26
Lees Jesaja 26 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Een loflied waarmee het Joodse volk God dankt voor zijn verlossing, vers 1 enzovoort, en een vermaning om op de Heere te vertrouwen, 4, en in zijn wegen te wandelen, 7. Hoe noodzakelijk de tuchtroede van de Heere is, 9, maar de goddelozen zijn en blijven verhard, 10. Hoe God met de Joden gehandeld heeft, 15. Hun bekering, 16. Hun hoop en vertroosting, 19.
1Te die dage zal dit lied gezongen worden in het land van Juda; Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen.
2Doe de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, dat de getrouwigheden bewaart.
3Het is een bevestigd voornemen, U zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd.
4Vertrouw op JAHWEH tot in de eeuwigheid; want in Adonai JAHWEH is een eeuwige rotssteen.
5Want Hij buigt de hooggezetenen neer, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken.
6De voet zal ze vertreden, de voeten van de ellendigen, de treden van de armen.
7Het pad van de rechtvaardige is geheel effen, de gang van de rechtvaardige weegt U recht.
8Wij hebben ook in de weg van Uw gerichten, U, o JAHWEH! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw herinnering is de begeerte van onze ziel.
9Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; want wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners van de wereld gerechtigheid.
10Wordt de goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een geheel richtig land, en hij ziet de hoogheid van JAHWEH niet aan.
11JAHWEH! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege de ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw tegenstanders verteren.
12JAHWEH! U zult ons vrede bestellen, want U hebt ons ook al onze zaken uitgericht.
13JAHWEH, onze God! andere heren, behalve U, hebben over ons geheerst; maar door U alleen gedenken wij Uw Naam.
14Dood zijnde zullen zij niet weer leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt U hen bezocht, en hebt hen vernietigd, en U hebt al hun herinnering doen vergaan.
15U, o JAHWEH! had dit volk vermeerderd, U had dit volk vermeerderd; U was verheerlijkt geworden; maar U hebt hen in al de einden van de aarde verre weggedaan.
16JAHWEH! in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was.
17Gelijk een zwangere vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft, en schreeuwt in haar weeën, zo zijn wij geweest, o JAHWEH! vanwege Uw aangezicht.
18Wij waren zwanger, wij hadden de smarten, maar wij hebben niet dan wind gebaard; wij deden het land geen behoudenis aan, en de inwoners van de wereld vielen niet neer.
19Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waak op en juich, u, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw van de moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen.
20Ga heen, mijn volk! ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren na u toe; verberg u als een klein ogenblik, totdat de toorn overga.
21Want zie, JAHWEH zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners van de aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden.