BijbelJesaja

Jesaja 29

Lees Jesaja 29 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Profetie van de belegering en verwoesting van de tempel en de stad Jeruzalem, vers 1. De ellendige toestand van de Joden, 3 enzovoort. De onverzadelijke toorn van hun vijanden wordt door twee gelijkenissen afgebeeld, 7, 8. Vanwege de verstoktheid en verblinding van de Joden, 9 enzovoort. Dreiging dat zij verstoten zullen worden vanwege hun huichelarij, 14 enzovoort. Belofte van de bekering zowel van de heidenen als van de Joden, 17, 22 enzovoort. Dreiging over de tirannen en spotters, 20, 21.

1Wee Ariël, Ariël! de stad, waarin David gelegerd heeft; doe jaar tot jaar; laat ze feestoffers slachten.

2Evenwel zal Ik Ariël benauwen, en er zal treuring en verdriet wezen, en die stad zal Mij gelijk Ariël zijn.

3Want Ik zal een leger in het rond om u slaan, en Ik zal u belegeren met bolwerken, en Ik zal vestingen tegen u opwerpen.

4Dan zult u vernederd worden, u zult uit de aarde spreken, en uw spraak zal uit het stof zachtjes voortkomen; en uw stem zal zijn uit de aarde als van een tovenaar, en uw spraak zal uit het stof piepen.

5En de menigte van uw vreemde soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte van de tirannen als voorbijvliegend kaf; en het zal in een ogenblik haastig gebeuren.

6U zult van JAHWEH van de legermachten bezocht worden met donder, en met aardbeving, en groot geluid, met wervelwind, en onweer, en de vlam van een verterend vuur.

7En gelijk de droom van een nachtgezicht is, zo zal de veelheid van alle heidenen zijn, die tegen Ariël strijden zullen; zelfs allen, die tegen haar en haar vestingen strijden, en haar benauwen zullen.

8Het zal zo zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel leeg; of, zoals wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog mat, en zijn ziel is begerig; zo zal de menigte van alle heidenen zijn, die tegen de berg Sion krijgen.

9Zij vertoeven, daarom verwondert u; zij zijn vrolijk, daarom roept u; zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij waggelen, maar niet van sterke drank.

10Want JAHWEH heeft over u uitgegoten een geest van de diepe slaap, en Hij heeft uw ogen toegesloten; de profeten, en uw hoofden, en de zieners heeft Hij verblind.

11Daarom is u alle visioen geworden als de woorden van een verzegeld boek, dat men geeft aan een, die lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld.

12Of men geeft het boek aan een, die niet lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet lezen.

13Want de Heere heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, maar hun hart verre van Mij doen; en hun vrees, waarmee zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn;

14Daarom, ziet, Ik zal verder wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid van zijn wijzen zal vergaan, en het verstand van zijn verstandigen zal zich verbergen.

15Wee degenen, die zich diep versteken willen voor JAHWEH, hun raad verbergende; en van wie de werken in duisterheid gebeuren, en zij zeggen: Wie ziet ons, en wie kent ons?

16Uw omkeren is, alsof de pottenbakker geacht werd als leem, dat het maaksel zei van zijn maker: Hij heeft mij niet gemaakt; en het geformeerde voorwerp van zijn pottenbakker zei: Hij verstaat het niet.

17Is het niet nog om een klein weinig, dat de Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het vruchtbare veld voor een woud geacht zal worden?

18En op die dag zullen de doven horen de woorden van het Boek; en de ogen van de blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien.

19En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in JAHWEH; en de behoeftigen onder de mensen zullen zich in de Heilige van Israël verheugen.

20Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met de bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn;

21Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen strikken voor hem, die hen bestraft in de poort; en die de rechtvaardige verdrijven in het woeste.

22Daarom zegt JAHWEH, Die Abraham verlost heeft, tot het huis van Jakob zo: Jakob zal nu niet meer beschaamd worden, en nu zal zijn aangezicht niet meer bleek worden;

23Want als hij zijn kinderen, het werk van Mijn handen, zien zal in het midden van hen, zullen zij Mijn Naam heiligen; en zij zullen de Heilige van Jakob heiligen, en de God van Israël vrezen.

24En die dwalende van geest zijn, zullen tot verstand komen, en de murmureerders zullen de onderwijzing aannemen.