Jesaja 3
Lees Jesaja 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Zware en velerlei dreigingen en straffen die de Joden zouden overkomen, zowel het gewone volk als de bestuurders, vanwege hun talloze zonden, vers 1 enzovoort. Maar de rechtvaardigen worden getroost, 10. In het bijzonder worden de vrouwen sterk bedreigd vanwege hun praal en hoogmoed, 16.
1Want ziet, de Heere, JAHWEH van de legermachten, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen de stok en de staf, allen stok van het brood, en allen stok van het water;
2De held en de soldaat, de rechter en de profeet, en de waarzegger, en de oude;
3De overste van vijftig, en de aanzienlijke, en de raadsman, en de wijze onder de werkmeesters, en die, die kloek ter tale is.
4En Ik zal jongemannen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen;
5En het volk zal gedrongen worden, de één zal zijn tegen de ander, en ieder tegen zijn naaste; de jongeling zal stout zijn tegen de oude, de verachte tegen de eerlijke.
6Wanneer iemand zijn broer uit het huis van zijn vader zal aangrijpen, zeggende: U hebt een kleed, wees ons tot overste, laat toch deze aanstoot onder uw hand wezen;
7Zo zal hij in die dag zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste van het volk.
8Want Jeruzalem heeft aangestoten, en Juda is gevallen, omdat hun tong en zijn handelingen tegen JAHWEH zijn, om de ogen van Zijn heerlijkheid te verbitteren.
9Het gezicht van hun aangezicht getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, zoals Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hun ziel; want zij doen zichzelf kwaad.
10Zeg de rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht van hun werken zullen eten.
11Wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding van zijn handen zal hem gebeuren.
12De drijvers van Mijn volk zijn kinderen, en vrouwen heersen erover. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en de weg van uw paden slokken zij in.
13JAHWEH stelt Zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te richten.
14JAHWEH komt ten gerichte tegen de oudsten van Zijn volk en zijn vorsten, want u hebt deze wijngaard verteerd; de roof van de ellendigen is in uw huizen.
15Wat is u, dat u Mijn volk verbrijzelt, en de aangezichten van de ellendigen vermaalt? spreekt de Heere, JAHWEH van de legermachten.
16Verder zegt JAHWEH: Daarom dat de dochters van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, en lonken met de ogen, al gaande en trippelende daarheen treden, en alsof haar voeten gebonden waren.
17Zo zal JAHWEH de schedel van de dochters van Sion schurftig maken, en JAHWEH zal haar schaamte ontbloten.
18Op diezelfde dag zal JAHWEH wegnemen het sieraad van de kousebanden, en de netjes, en de maantjes,
19De reukdoosjes, en de kleine kettinkjes, en de glinsterende kledingen,
20De hoofdkroning, en de armversierselen, en de bindselen, en de reukballetjes, en de oorringen,
21De ringen en de voorhoofdsierselen,
22De wisselklederen, en de manteltjes, en de hoedjes, en de beurzen,
23De spiegels, en de fijn-linnen deksels, en de hulledoeken, en de sluiers.
24En het zal gebeuren, dat er voor specerij stank zal zijn, en lossigheid voor een gordel, en kaalheid in plaats van haarvlechten, en omgording met een zak in plaats van een wijde rok, en verbranding in plaats van schoonheid.
25Uw mannen zullen door het zwaard vallen, en uw helden in de strijd.
26En haar poorten zullen treuren, en leed dragen, en zij zal, leeg gemaakt zijnde, op de aarde zitten.