Jesaja 30
Lees Jesaja 30 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De Heere dreigt de Joden die bij de Egyptenaren hulp zochten, vers 1, en voorzegt dat het van geen waarde zal zijn, 3 enzovoort. De Heere beveelt de profeet zijn profetie op te schrijven, 8, en klaagt over de weerspannigheid van zijn volk, 9. Daarom dreigt Hij hen dat Jeruzalem verwoest zou worden, 13 enzovoort. Maar Hij belooft dat Hij zich over de boetvaardigen zou ontfermen, 18, en dat Hij hun trouwe leraren zou geven, 20, naar wie zij zouden luisteren, 21, en de afgoden zouden verwerpen, 22. Een belofte van zegen over de vruchten, 23, en grotere heerlijkheid en vreugde, 25 enzovoort. Een profetie van de vernietiging van het Assyrische krijgsvolk door de hevige toorn van de Heere, 27 enzovoort, en de blijdschap van het volk van God daarover, 29.
1Wee de kinderen, die afvallen, spreekt JAHWEH, om een raadslag te maken, maar niet uit Mij, en om zich met een bedekking te bedekken, maar niet uit Mijn Geest, om zonde tot zonde te doen;
2Die gaan, om af te trekken in Egypte, en vragen Mijn mond niet; om zich te sterken met de macht van Farao, en om hun toevlucht te nemen onder de schaduw van Egypte.
3Want de sterkte van Farao zal u tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande.
4Wanneer zijn vorsten zullen geweest zijn tot Zoan, en zijn gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Chanes;
5Hij zal hen allen beschaamd maken door een volk, dat hun geen nut kan doen, noch tot hulp, noch tot voordeel, maar tot schande en ook tot smaad zijn zal.
6De last van de beesten, van het zuiden, naar het land van de angst, en van de benauwdheid, vanwaar de sterke leeuw en de oude leeuw is, de basilisk en de vurige vliegende draak; hun goederen zullen zij voeren op de rug van de veulens, en hun schatten op de bulten van de kamelen, tot het volk, dat hun geen nut zal doen.
7Want Egypte zal zinloos en te vergeefs helpen; daarom heb Ik hierover geroepen; Stilzitten zal hun sterkte zijn.
8Nu dan, ga heen, schrijf voor hen op een tafel, en teken het in een boek, opdat het blijve tot de laatste dag, voor altijd, tot in eeuwigheid.
9Want het is een opstandig volk; het zijn leugenachtige kinderen; kinderen, die de wet van JAHWEH niet horen willen.
10Die daar zeggen tot de zieners: Zie niet; en tot de schouwers: Schouw ons niet, wat recht is; spreek tot ons zachte dingen, schouw ons bedriegerijen.
11Wijk af van de weg, maakt u van de baan; laat de Heilige van Israël van ons ophouden!
12Daarom, zo zegt de Heilige van Israël: Omdat u dit woord verwerpt, en vertrouwt op onderdrukking en verkeerdheid, en steunt daarop:
13Daarom zal u deze misdaad zijn gelijk een vallende scheur, uitwaarts gebogen in een hoge muur, waarvan de breuk haastig in een ogenblik komen zal.
14Ja, Hij zal ze verbreken, gelijk een pottenbakkerskruik verbroken wordt; in het brijzelen zal Hij niet sparen; zo dat van haar verbrijzeling niet één scherf zal gevonden worden, om vuur uit de haard te nemen, of om water te scheppen uit een gracht.
15Want zo zegt Adonai JAHWEH, de Heilige van Israël: Door wederkering en rust zou u behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn; maar u hebt niet gewild.
16En u zegt: Nee, maar op paarden zullen wij vluchten; daarom zult u vluchten! En: Op snelle paarden zullen wij rijden; daarom zullen uw vervolgers ook snel zijn!
17Een duizend van de bestraffing van enige, van de bestraffing van vijf zult u allen vluchten; totdat u overgelaten wordt, zoals een mast op de top van een berg, en als een banier op een heuvel.
18En daarom zal JAHWEH wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over u ontferme, want JAHWEH is een God van het gericht; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten.
19Want het volk zal in Sion wonen, te Jeruzalem; u zult geheel niet huilen; zeker zal Hij u genadig zijn op de stem van uw geroep; zo haast Hij die horen zal, zal Hij u antwoorden.
20De Heere zal u wel brood van de benauwdheid, en wateren van de verdrukking geven; maar uw leraars zullen niet meer als met vleugels wegvliegen, maar uw ogen zullen uw leraars zien;
21En uw oren zullen horen het woord van degene, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt daarin; als u zou afwijken ter rechterhand of ter linkerhand.
22En u zult voor onrein houden het deksel van uw zilveren gesneden beelden, en het overtreksel van uw gouden gegoten beelden; u zult ze wegwerpen gelijk een maanstondig kleed, en tot elk van die zeggen: Heen uit!
23Dan zal Hij uw zaad, waarmee u het land bezaaid hebt, regen geven, en brood van het land inkomen, en dat zal vet en smoutig zijn; uw vee zal op die dag in een wijde akker weiden.
24En de ossen, en ezelveulens, die het land bouwen, zullen zuiver voer eten, dat verschud is met de werpschoffel en met de wan.
25En er zullen op allen hoge berg, en op allen verhevenen heuvel beekjes en watervlieten zijn, in de dag van de grote slachting, wanneer de torens vallen zullen.
26En het licht van de maan zal zijn als het licht van de zon, en het licht van de zon zal zevenvoudig zijn als het licht van zeven dagen; op de dag als JAHWEH de breuk van Zijn volk zal verbinden, en de wonde, waarmee het geslagen is, genezen.
27Zie, de Naam van JAHWEH komt van verre, Zijn toorn brandt, en de last is zwaar; Zijn lippen zijn vol toorn, en Zijn tong, als een verterend vuur;
28En Zijn adem is als een overlopende beek, die tot aan de hals toe raakt; om de heidenen te schudden met een schudding van de zinloosheid, en als een misleidende toom in de kinnebakkens van de volken.
29Er zal een lofzang bij u zijn, gelijk in de nacht, wanneer het feest geheiligd wordt; en blijdschap van het hart, gelijk van een, die met pijpen wandelt, om te komen tot de berg van JAHWEH, tot de Rotssteen van Israël.
30En JAHWEH zal Zijn heerlijke stem doen horen, en de neerlating van Zijn arm doen zien, met woede van toorn, en een vlam van verterend vuur, stralen, en een vloed, en hagelstenen.
31Want door de stem van JAHWEH zal Assur te morzel geslagen worden, die met de roede sloeg.
32En alwaar die gegrondveste staf doorgegaan zal zijn (waarop JAHWEH die zal hebben doen rusten), daar zal men met trommelen en harpen zijn; want met bewegende bestrijdingen zal Hij tegen hen strijden.
33Want Tofeth is van gisteren bereid; ja, hij is ook voor de koning bereid; Hij heeft hem diep en wijd gemaakt, het vuur en hout van zijn brandstapel is veel; de adem van JAHWEH zal hem aansteken als een zwavelstroom.