Jesaja 32
Lees Jesaja 32 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Profetie aangaande het rijk van Christus, vers 1, en een verhaal van de weldaden die Hij zijn kerk zal brengen, 2 enzovoort. Een dreiging over de zorgeloze vrouwen, 9, en over het hele land, 12, dat verwoest zal worden, 14. Daarna spreekt de profeet weer over het rijk van Christus en wijst aan wat Hij in de harten van de uitverkorenen tot stand zou brengen door de Heilige Geest, 15 enzovoort. Dreigingen over de goddelozen, 19. Aanspraak aan de leraren van het Nieuwe Testament, 20.
1Zie, een koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht.
2En die man zal zijn als een plek om te schuilen tegen de wind, en een schuilplaats tegen de vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.
3En de ogen van degenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren van degenen, die horen, zullen opmerken.
4En het hart van de onbedachtzamen zal de wetenschap verstaan, en de tong van de stamelenden zal vlot zijn, om bescheidenlijk te spreken.
5De dwaas zal niet meer genoemd worden milddadig, en de gierige zal niet meer mild geheten worden.
6Want een dwaas spreekt dwaasheid, en zijn hart doet ongerechtigheid, om huichelarij te plegen, en om dwaling te spreken tegen JAHWEH, om de ziel van de hongerigen leeg te laten, en de dorstige drank te doen ontbreken.
7En het hele gereedschap van een gierigaard is kwaad; hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valse redenen, en het recht, als de arme spreekt.
8Maar een milddadige beraadslaagt milddadigheden, en staat op milddadigheden.
9Sta op, u geruste vrouwen, hoort mijn stem; u dochters, die zo zeker bent, neem mijn redenen ter ore.
10Vele dagen over het jaar zult u beroerd zijn, u dochters, die zo zeker bent, want de wijnoogst zal uit zijn, er zal geen inzameling komen.
11Beef, u geruste vrouwen; wees beroerd, dochters, die zo zeker bent; trek u uit, en ontbloot u, en gord zakken om uw lendenen.
12Men zal rouwklagen over de borsten, over de gewenste akkers, over de vruchtbare wijnstokken.
13Op het land van mijn volk zal de doorn en de distel opgaan; ja, op alle vreugdehuizen, in de vrolijk huppelende stad.
14Want het paleis zal verlaten zijn, het gewoel van de stad zal ophouden; Ofel en de wachttorens zullen tot grotten zijn, tot in de eeuwigheid, een vreugde van de woudezelen, een weide van de kudden.
15Totdat over ons uitgegoten worde de Geest uit de hoogte; dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld zal voor een woud geacht worden.
16En het recht zal in de woestijn wonen, en de gerechtigheid zal op het vruchtbare veld verblijven.
17En het werk van de gerechtigheid zal vrede zijn; en de werking van de gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid.
18En mijn volk zal in een woonplaats van de vrede wonen, en in welverzekerde woningen, en in stille geruste plaatsen.
19Maar het zal hagelen, waar men afgaat in het woud, en de stad zal laag worden in de laagte.
20Welgelukzalig bent u, die aan alle wateren zaait; u, die de voet van de os en van de ezel daarheen henenzendt!