Jesaja 34
Lees Jesaja 34 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Verwoesting van de vijanden van de kerk van God, vers 2, onder de naam van de Edomieten, 5, wier land zo verwoest zou worden dat het niet meer door mensen, maar door wilde, verschrikkelijke gedrochten zou worden bewoond, 10. Deze verwoesting zou stuk voor stuk volkomen vervuld worden, 16, en eeuwig duren, 17.
1Nader, u heidenen, om te horen, en u volken! luister toe; de aarde hore, en haar volheid, de wereld en al wat daaruit voortkomt.
2Want de toorn van JAHWEH is over al de heidenen, en woede over al hun leger; Hij heeft hen verbannen, Hij heeft ze ter slachting overgegeven.
3En hun verslagenen zullen weggeworpen worden, en van hun dode lichamen zal hun stank opgaan; en de bergen zullen smelten van hun bloed.
4En al het leger van de hemelen zal uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden, zoals een boek, en al hun leger zal afvallen, zoals een blad van de wijnstok afvalt, en gelijk een vijg afvalt van de vijgeboom.
5Want Mijn zwaard is dronken geworden in de hemel; zie, het zal tot het oordeel neerdalen op Edom, en op het volk, dat Ik verbannen heb.
6Het zwaard van JAHWEH is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed van de lammeren en van de bokken, van het smeer van de nieren van de rammen; want JAHWEH heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land van de Edomieten.
7En de eenhoornen zullen met hen afgaan, en de stieren met de stieren; en hun land zal doordronken zijn van het bloed, en hun stof zal van het smeer vet gemaakt worden.
8Want het zal zijn de dag van de wraak van JAHWEH, een jaar van de vergeldingen, om Sions rechtszaak.
9En hun beken zullen in pek verkeerd worden, en hun stof in zwavel; ja, hun aarde zal tot brandend pek worden.
10Het zal in de nacht of overdag niet uitgeblust worden, tot in de eeuwigheid zal zijn rook opgaan; van geslacht tot geslacht zal het woest zijn, tot in eeuwigheid van de eeuwigheden zal niemand daar doorgaan.
11Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de ransuil, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer van de woestigheid over hen trekken, en een richtlood van het nietsdoen.
12Hun edelen (maar zij zijn er niet) zullen zij tot het koninkrijk roepen, maar al hun vorsten zullen niets zijn.
13En in hun paleizen zullen doornen opgaan, netelen en distelen in hun vestingen; en het zal een woning van de draken zijn, een zaal voor de jongen van de struisvogels.
14En de wilde dieren van de woestijnen zullen de wilde dieren van de eilanden daar ontmoeten, en de duivel zal zijn metgezel toeroepen; ook zal het nachtgedierte zich daar neerzetten, en het zal een rustplaats voor zich vinden.
15Daar zal de wilde meerle nestelen en leggen, en haar jongen uitbikken, en onder haar schaduw verzamelen; ook zullen daar de gieren met elkaar verzameld worden.
16Zoek in het boek van JAHWEH, en leest; niet één van deze zal er falen, het een noch het ander zal men missen; want mijn mond zelf heeft het geboden, en Zijn Geest Zelf zal ze samenbrengen.
17Want Hij Zelf heeft voor hen het lot geworpen, en Zijn hand heeft het hun uitgedeeld met het richtsnoer; tot in de eeuwigheid zullen zij dat erfelijk bezitten, van geslacht tot geslacht zullen zij daarin wonen.