Jesaja 38
Lees Jesaja 38 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Hizkia, zeer ziek geworden, wordt door de profeet Jesaja de dood aangezegd, vers 1, maar op zijn smekend gebed verkrijgt hij verlenging van vijftien jaar, wat God door een bijzonder wonderteken bevestigt, 4 enzovoort. Hizkia's gebed en loflied tot God, 9 enzovoort. Vergelijk 2 Koningen hoofdstuk 20 en 2 Kronieken 32:24.
1In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt JAHWEH: Geef bevel aan uw huis; want u zult sterven, en niet leven.
2Toen keerde Hizkia zijn aangezicht om naar de wand, en hij bad tot JAHWEH.
3En hij zei: Och JAHWEH, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia huilde geheel zeer.
4Toen kwam het woord van JAHWEH tot Jesaja, zeggende:
5Ga heen, en zeg tot Hizkia: Zo zegt JAHWEH, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal vijftien jaren tot uw dagen toedoen;
6En Ik zal u uit de hand van de koning van Assyrië verlossen, en ook deze stad; en Ik zal deze stad beschermen.
7En dit zal u een teken zijn van JAHWEH, dat JAHWEH het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal:
8Zie, Ik zal de schaduw van de graden, die met de zon in de graden van Achaz' zonnewijzer naar beneden gegaan is, tien graden achteruit doen keren. Daarom is de zon tien graden teruggekeerd, in de graden, die zij naar beneden gegaan was.
9Dit is het schrift van Hizkia, koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte genezen was.
10Ik zei: Vanwege de afsnijding van mijn dagen, zal ik tot de poorten van het graf heengaan, ik word beroofd van het overige van mijn jaren.
11Ik zei: Ik zal JAHWEH niet meer zien, JAHWEH, in het land van de levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners van de wereld.
12Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk de hut van een herder; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van de drom; van de dag tot de nacht zult U mij ten einde gebracht hebben.
13Ik stelde mij voor tot de morgenstond toe; zoals een leeuw, zo zal Hij al mijn beenderen breken; van de dag tot de nacht zult U mij ten einde gebracht hebben.
14Zoals een kraanvogel of zwaluw, zo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o JAHWEH! ik word onderdrukt, wees U mijn Borg.
15Wat zal ik spreken? Zoals Hij het mij heeft toegezegd, zo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid van mijn ziel.
16Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijn geest; want U hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.
17Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar U hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve van de vertering niet kwame; want U hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.
18Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in de kuil neerdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.
19De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik vandaag doe; de vader zal de kinderen Uw waarheid bekend maken.
20JAHWEH was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen; al de dagen van ons leven, in het huis van JAHWEH.
21Jesaja nu had gezegd: Laat men nemen een klomp vijgen, en tot een pleister op het gezwel maken, en hij zal genezen.
22En Hizkia had gezegd: Welk zal het teken zijn, dat ik in het huis van JAHWEH zal opgaan?