BijbelJesaja

Jesaja 39

Lees Jesaja 39 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De koning van Babel zendt gezanten met brieven en een geschenk aan Hizkia, vers 1, die hun al zijn schatten toont, 2, waarover Jesaja hem aanspreekt en de Babylonische gevangenschap voorzegt, 3 enzovoort. Vergelijk 2 Koningen 20 vanaf het 12e vers.

1Te die tijd zond Merodach Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord dat hij ziek geweest en weer sterk geworden was.

2En Hizkia verblijdde zich over hen, en hij toonde hun zijn schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn hele wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn hele heerschappij, dat Hizkia hun niet toonde.

3Toen kwam de profeet Jesaja tot de koning Hizkia, en zei tot hem: Wat hebben die mannen gezegd, en vanwaar zijn zij tot u gekomen? En Hizkia zei: Zij zijn uit ver land tot mij gekomen, uit Babel.

4En hij zei: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkia zei: Zij hebben alles gezien, wat in mijn huis is; geen ding is er in mijn schatten, dat ik hun niet getoond heb.

5Toen zei Jesaja tot Hizkia: Hoor het woord van JAHWEH van de legermachten.

6Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaders opgelegd hebben tot een schat tot op deze dag, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt JAHWEH.

7Daartoe zullen zij van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, die u winnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis van de koning van Babel.

8Maar Hizkia zei tot Jesaja: Het woord van JAHWEH, dat u gesproken hebt, is goed. Ook zei hij: Maar het zij vrede en waarheid in mijn dagen!