Jesaja 40
Lees Jesaja 40 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Profetie van de komst van Christus en de prediking van het heilig Evangelie, vers 1, door Johannes de Doper en de apostelen, 3 enzovoort. De kracht van het goddelijke Woord, 4 enzovoort. Wat de verkondigers van het Woord zouden prediken, 6 enzovoort. De kracht en wijsheid van de Heere in het regeren van de wereld, 12, die men niet kan en mag afbeelden, 18. De dwaasheid van de afgodendienaars, 19. De nietigheid van alle groten van deze wereld, 23. Bestraffing van hen die klagen dat God hen niet kan en niet wil beschermen, 26.
1Troost, troost Mijn volk, zal uw God zeggen.
2Spreek naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand van JAHWEH dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.
3Een stem van de roepende in de woestijn: Bereid de weg van JAHWEH, maak recht in de wildernis een baan voor onze God!
4Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden.
5En de heerlijkheid van JAHWEH zal geopenbaard worden; en alle vlees te gelijk zal zien, dat het de mond van JAHWEH gesproken heeft.
6Een stem zegt: Roep! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem van het veld.
7Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest van JAHWEH daarin blaast; werkelijk, het volk is gras.
8Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord van onze God bestaat in de eeuwigheid.
9O Sion, u verkondigster van goede boodschap, klim op een hoge berg; o Jeruzalem, u verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg de steden van Juda: Zie hier is uw God!
10Zie, Adonai JAHWEH zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; zie, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.
11Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen verzamelen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
12Wie heeft de wateren met Zijn vuist gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof van de aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal?
13Wie heeft de Geest van JAHWEH bestuurd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?
14Met wie heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad van het recht, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken de weg van het veelvoudige verstand?
15Zie, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; zie, Hij werpt de eilanden heen als dun stof!
16En de Libanon is niet genoegzaam om te branden, en zijn gedierte is niet genoegzaam als brandoffer.
17Alle volken zijn als niets voor Hem; en zij worden bij Hem geacht minder dan niet, en zinloosheid.
18Bij wie dan zult u God vergelijken, of wat gelijkenis zult u op Hem toepassen?
19De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toe.
20Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden, dat niet wankele.
21Weet u niet? Hoort u niet? Is het u van de beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt u op de grondvesten van de aarde niet gelet?
22Hij is het, Die daar zit boven de kloot van de aarde, waarvan de inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen;
23Die de vorsten te niet maakt; de richters van de aarde maakt Hij tot zinloosheid.
24Ja, zij worden niet geplant, ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde; ook als Hij op hen blazen zal, zo zullen zij verdorren, en een stormwind zal hen als een stoppel wegnemen.
25Bij wie dan zult u Mij vergelijken, die Ik gelijk zij? zeg de Heilige.
26Hef uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun leger voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid van Zijn krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet één gemist.
27Waarom zegt u dan, o Jakob! en spreekt, o Israël! mijn weg is voor JAHWEH verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?
28Weet u het niet? Hebt u niet gehoord, dat de eeuwige God, JAHWEH, de Schepper van de einden van de aarde, noch moe noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand.
29Hij geeft de moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte voor hem, die geen krachten heeft.
30De jongen zullen moe en mat worden, en de jongemannen zullen zeker vallen;
31Maar die JAHWEH verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de adelaars; zij zullen lopen, en niet moe worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.