Jesaja 41
Lees Jesaja 41 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De Heere daagt alle afgodendienaars voor het gerecht, vers 1. Verder spreekt Hij over Abraham, met wie God een verbond heeft opgericht en aan wie Hij voortreffelijke overwinningen heeft gegeven, 2. Daarover zijn de heidenen ontzet, 5, maar zij zijn toch voortgegaan in hun afgoderij, 6. Vriendelijke aanspraak van God aan de vrome Israelieten, 8, met de belofte dat Hij hen zou verlossen, 10, terwijl Hij hun vijanden vernietigt, 11, en de gelovigen zegent, 17. Aanspraak van God aan de afgodendienaars, 21. Verlossing omwille van de Messias, 25.
1Zwijg voor Mij, u eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen.
2Wie heeft van de opgang die rechtvaardige verwekt? heeft hem geroepen op zijn voet? de heidenen voor zijn aangezicht gegeven, en gemaakt, dat hij over koningen heerste? heeft ze zijn zwaard gegeven als stof, zijn boog als een voortgedreven stoppel?
3Dat hij ze nastreefde en doortrok met vrede, door een pad, dat hij met zijn voeten niet gegaan had?
4Wie heeft dit gewerkt en gedaan, roepende de geslachten van de beginne? Ik, JAHWEH, Die de Eerste ben, en met de Laatste ben Ik Dezelfde.
5De eilanden zagen het, en zij vreesden; de einden van de aarde beefden; zij naderden en kwamen toe;
6De één hielp de ander, en zei tot zijn metgezel: Wees sterk!
7En de werkmeester versterkte de goudsmid; die met de hamer glad maakt, die, die op het aambeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.
8Maar u, Israël, Mijn knecht! u Jakob, die Ik gekozen heb! het zaad van Abraham, Mijn liefhebber!
9U, die Ik gegrepen heb van de einden van de aarde, en uit haar bijzonderste geroepen heb; en zei tot u: U bent Mijn knecht; u heb Ik uitverkoren, en heb u niet verworpen.
10Vrees niet, want Ik ben met u; wees niet verbaasd, want Ik ben uw God; Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand van Mijn gerechtigheid.
11Zie, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen, die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niet, en die mensen, die met u twisten, zullen vergaan.
12U zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden; de mensen, die met u kijven, zullen worden als niet, en die mensen, die met u oorlogen, als een nietig ding.
13Want Ik, JAHWEH, uw God, grijp uw rechterhand aan, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u.
14Vrees niet, u wormpje van Jakob, u volkje van Israël! Ik help u, spreekt JAHWEH, en uw Verlosser is de Heilige van Israël!
15Zie, Ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft; u zult bergen dorsen en vermalen, en heuvelen zult u stellen gelijk kaf.
16U zult ze wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien; maar u zult u verheugen in JAHWEH; in de Heilige van Israël zult u zich roemen.
17De ellendigen en armen zoeken water, maar er is geen, hun tong versmacht van dorst; Ik, JAHWEH zal hen verhoren, Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten.
18Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden van de valleien; Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten.
19Ik zal in de woestijn de cederboom, de sittimboom, en de mirteboom, en de olieachtigen boom zetten; Ik zal in de wildernis stellen de denneboom, de beuk, en de busboom te gelijk;
20Opdat zij zien, en bekennen, en overleggen, en te gelijk verstaan, dat de hand van JAHWEH dat gedaan, en dat de Heilige van Israël dat geschapen heeft.
21Breng uw rechtszaak voor, zegt JAHWEH; breng uw vaste bewijsredenen bij, zegt de Koning van Jakob.
22Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen; verkondig de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen, en het einde daarvan weten; of doet ons de toekomende dingen horen.
23Verkondig dingen, die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat u goden bent; ja, doet goed, en doet kwaad, dat wij verbaasd staan, en samen toezien.
24Zie, u bent minder dan niet, en uw werk is erger dan een adder; hij is een gruwel, die u verkiest.
25Ik verwek één van het noorden, en hij zal opkomen van de opgang van de zon; hij zal Mijn Naam aanroepen; en hij zal komen over de overheden als over leem, en gelijk een pottenbakker het slijk treedt.
26Wie heeft wat verkondigd van de beginne aan, dat wij het weten mogen, of van te voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig; maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook niemand, die uw woorden hoort.
27Ik, de Eerste zeg tot Sion: Zie, zie ze daar! en tot Jeruzalem: Ik zal een blijden boodschapper geven.
28Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder deze, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.
29Zie, zij zijn allemaal zinloosheid, hun werken zijn een nietig ding, hun gegoten beelden zijn wind, en een ijdel ding.