Jesaja 42
Lees Jesaja 42 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Profetie van de komst van de Messias en wat zijn ambt is, vers 1, hoe Hij zich daarin zal gedragen, 2. De bijstand die de Heere Hem zal verlenen, 5, die een naijverig God is, 8, en alles van tevoren weet, 9. Vermaning tot dankzegging voor de ontvangen weldaden, 10, dat ook de bekeerde heidenen dit moeten doen, 11, aangezien de Heere al hun vijanden zal overweldigen, 13. Verdere profetie van de roeping van de heidenen, 16, en de straf van de afgodendienaars, 17. Weeklacht over de verstoktheid van de Joden, zowel van het volk als van de priesters, 19, en hun ellendige toestand, 22, vanwege hun zonden, 24, en verstoktheid, 25.
1Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Wie Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht aan de heidenen voortbrengen.
2Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten.
3Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.
4Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, voordat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten.
5Zo zegt God, JAHWEH, Die de hemelen geschapen, en ze uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die het volk, dat daarop is, de adem geeft, en de geest aan hen, die daarop wandelen:
6Ik, JAHWEH, heb u geroepen in gerechtigheid, en Ik zal u bij uw hand grijpen; en Ik zal u behoeden, en Ik zal u geven tot een Verbond van het volk, tot een Licht van de heidenen.
7Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het huis van bewaring, die in duisternis zitten.
8Ik ben JAHWEH, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen ander geven, noch Mijn lof de gesneden beelden.
9Zie, de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig Ik; voordat zij uitspruiten, doe Ik u die horen.
10Zing JAHWEH een nieuw lied, Zijn lof van het einde van de aarde; u, die ter zee vaart, en al wat daarin is, u eilanden en hun inwoners.
11Laat de woestijn en haar steden de stem verheffen, met de dorpen, die Kedar bewoont; laat hen juichen, die in de rotsstenen wonen, en van de top van de bergen af schreeuwen.
12Laat ze JAHWEH de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen.
13JAHWEH zal uittrekken als een held; Hij zal de ijver opwekken als een soldaat; Hij zal juichen, ja, Hij zal een groot getier maken; Hij zal Zijn vijanden overweldigen.
14Ik heb van ouds gezwegen, Ik heb Mij stil gehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen, als een, die baart, Ik zal ze verwoesten, en samen opslokken.
15Ik zal bergen en heuvelen woest maken, en al hun gras zal Ik doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdrogen.
16En Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.
17Maar die zich op gesneden beelden verlaten, die tot de gegoten beelden zeggen: U bent onze goden; die zullen achteruit keren, en met schaamte beschaamd worden.
18Hoor, u doven! en schouwt aan, u blinden! om te zien.
19Wie is er blind als Mijn knecht, en doof, gelijk Mijn bode, die Ik zend? Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht van JAHWEH?
20U ziet wel veel dingen, maar u bewaart ze niet; of schoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet.
21JAHWEH had lust aan hem, omwille van Zijn gerechtigheid; Hij maakte hem groot door de wet, en Hij maakte hem heerlijk.
22Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk; zij zijn allen verstrikt in de holen, en verstopt in de gevangenhuizen; zij zijn tot een roof geworden, en er is niemand, die ze redt; tot een plundering, en niemand zegt: Geef ze weer.
23Wie onder u neemt dat ter ore? Wie merkt op en hoort, wat hierna zijn zal?
24Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israël aan de rovers? Is het niet JAHWEH, Hij, tegen Wie wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet.
25Daarom heeft Hij over hen uitgestort de woede van Zijn toorn en de macht van de oorlog; en Hij heeft ze rondom in vlam gezet, maar zij merken het niet; en Hij heeft ze in brand gestoken, maar zij nemen het niet ter harte.