BijbelJesaja

Jesaja 44

Lees Jesaja 44 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Verdere belofte van geestelijke weldaden, vers 1 enzovoort. De Heere bewijst dat Hij een waarachtig God is, 6 enzovoort, maar dat de afgoden ijdel en van geen waarde zijn, evenals hun makers, 9, en zij die ze aanbidden, 17. Daarom vermaant God de Joden dat zij Hem alleen aanhangen, 21, en zich tot Hem bekeren, 22. Verder worden de andere schepselen vermaand tot lof van de Heere, 23. De Heere spreekt verder over zijn macht en daden, 24, terwijl Hij zijn beloften bevestigt aangaande hun lichamelijke en geestelijke verlossing, 26.

1Maar hoor nu Mijn knecht Jakob, en Israël, die Ik gekozen heb!

2Zo zegt JAHWEH, uw Maker, en uw Formeerder van de buik af, Die u helpt: Vrees niet, o Jakob, Mijn knecht, en u, Jeschurun, die Ik uitverkoren heb!

3Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen.

4En zij zullen uitspruiten tussen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken.

5Deze zal zeggen: Ik ben van JAHWEH; en die zal zich noemen met de naam van Jakob; en een ander zal met zijn hand schrijven: Ik ben van JAHWEH, en zich toenoemen met de naam van Israël.

6Zo zegt JAHWEH, de Koning van Israël, en zijn Verlosser, JAHWEH van de legermachten: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God.

7En wie zal, gelijk als Ik, roepen en het verkondigen, en het ordentelijk voor Mij stellen, sinds dat Ik een eeuwig volk gesteld heb? en laat ze de toekomstige dingen, en die komen zullen, hun verkondigen.

8Verschrik niet, en vreest niet; heb Ik het u van toen af niet doen horen en verkondigd? Want u bent Mijn getuigen: is er ook een God behalve Mij? Immers, is er geen andere rotssteen: Ik ken er geen?

9De formeerders van gesneden beelden zijn al samen zinloosheid, en hun gewenste dingen doen geen nut; ja, zij zelf zijn hun getuigen; zij zien niet, en zij weten niet, daarom zullen zij beschaamd worden.

10Wie vormt een god, en giet een beeld, dat geen nut doet?

11Zie, al hun metgezellen zullen beschaamd worden, want de werkmeesters zijn uit de mensen; dat zij zich allemaal verzamelen, dat zij opstaan, zij zullen verschrikken, zij zullen samen beschaamd worden.

12De ijzersmid maakt een bijl, en werkt in de gloed, en vormt het met hamers, en werkt het met zijn sterke arm; ook lijdt hij honger, totdat hij krachteloos wordt, hij drinkt geen water, voordat hij amechtig wordt.

13De timmerman trekt het richtsnoer uit, hij tekent het af met de draad, hij maakt het effen met de schaven, en tekent het met de passer, en maakt het naar het beeld van een man, naar de schoonheid van een mens, dat het in het huis blijve.

14Als hij zich cederen afhouwt, zo neemt hij een cypressenboom of een eik, en hij versterkt zich onder de bomen van het woud; hij plant een olmboom, en de regen maakt die groot.

15Dan is het voor de mens om te verbranden, dan neemt hij daarvan, en warmt er zich bij; ook ontsteekt hij het, en bakt er brood bij; daarenboven maakt hij er een god van, en buigt zich daarvoor, hij maakt er een gesneden beeld van, en knielt er voor neer.

16Zijn helft brandt hij in het vuur, bij de andere helft daarvan eet hij vlees; hij braadt een gebraad, en hij wordt verzadigd; ook warmt hij zichzelf, en hij zegt: Ha! ik ben warm geworden, ik heb het vuur gezien!

17Het overige nu daarvan maakt hij tot een god, tot zijn gesneden beeld; hij knielt er voor neer, en buigt zich, en bidt het aan, en zegt: Red mij, want u bent mijn god!

18Zij weten niet, en verstaan niet, want het heeft hun ogen bestreken, dat zij niet zien, en hun harten, dat zij niet verstaan.

19En niemand van hen brengt het in zijn hart, en er is noch kennis noch verstand, dat hij zeggen zou: De helft daarvan heb ik verbrand in het vuur, ja, ook op de kolen daarvan heb ik brood gebakken, ik heb vlees daarbij gebraden, en heb het gegeten; en zou ik het overblijfsel daarvan tot een gruwel maken, zou ik neerknielen voor wat van een boom gekomen is?

20Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem ter zijde afgeleid; zodat hij zijn ziel niet redden kan, noch zeggen: Is er niet een leugen in mijn rechterhand?

21Gedenk aan deze dingen, o Jakob, en Israël! Want u bent Mijn knecht, Ik heb u gevormd; u bent Mijn knecht, Israël, u zult van Mij niet vergeten worden.

22Ik wis uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk; keer weer tot Mij, want Ik heb u verlost.

23Zing met vreugde, u hemelen! want JAHWEH heeft het gedaan; juich, u benedenste delen van de aarde! u bergen! maak een groot gedreun met vreugdegezang, u bossen, en alle geboomte daarin! Want JAHWEH heeft Jakob verlost, en Zich heerlijk gemaakt in Israël.

24Zo zegt JAHWEH, uw Verlosser, en Die u gevormd heeft van de buik af: Ik ben JAHWEH, Die alles doet, Die de hemel uitbreidt, Ik alleen, en Die de aarde uitspant door Mijzelf;

25Die de tekenen van de leugendichters vernietigt, en de waarzeggers dol maakt; Die de wijzen achteruit doet keren, en Die hun wetenschap verdwaast;

26Die het woord van Zijn knecht bevestigt, en de raad van Zijn boden volbrengt; Die tot Jeruzalem zegt: U zult bewoond worden; en tot de steden van Juda: U zult herbouwd worden, en Ik zal haar verwoeste plaatsen oprichten.

27Die tot de diepte zegt: Verdroog, en uw rivieren zal Ik verdrogen.

28Die van Cores zegt: Hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en tot de tempel: Word gegrond.