Jesaja 45
Lees Jesaja 45 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Profetie dat de koning Cyrus de stad Babel zou innemen en de Joden uit de gevangenschap zou verlossen, vers 1 enzovoort. Bestraffing van hen die tegen God morren, 9, die almachtig is, 12. Hij belooft Cyrus zijn bijstand, 13. Voorzegging van de bekering van de heidenen, 14. Dreiging over de beeldenmakers, 16, en beeldenvereerders, 20. De heidenen worden geroepen en uitgenodigd zich tot Christus te bekeren, 22. De Heere voorzegt dat Hij door alle volken bekend en geeerd zou worden, 23.
1Zo zegt JAHWEH tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neer te werpen; en Ik zal de lendenen van de koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden:
2Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan.
3En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgen rijkdommen; opdat u mag weten, dat Ik JAHWEH ben, Die u bij uw naam roept, de God van Israël;
4Omwille van Jakob, Mijn knecht, en Israël, Mijn uitverkorene; ja, Ik riep u bij uw naam, Ik noemde u toe, hoewel u Mij niet kende.
5Ik ben JAHWEH, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel u Mij niet kent.
6Opdat men wete, van de opgang van de zon en van de ondergang, dat er buiten Mij niets is, Ik ben JAHWEH, en niemand meer.
7Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad, Ik, JAHWEH, doe al deze dingen.
8Drup, u hemelen! van boven af, en dat de wolken vloeien van gerechtigheid; en de aarde opene zich, en dat allerlei heil uitwasse, en gerechtigheid samen uitspruiten; Ik, JAHWEH, heb ze geschapen.
9Wee hem, die met zijn Formeerder twist, gelijk een potscherf met aarden potscherven! Zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: Wat maakt u? of zal uw werk zeggen: Hij heeft geen handen?
10Wee hem, die tot de vader zegt: Wat genereert u? en tot de vrouw: Wat baart u?
11Zo zegt JAHWEH, de Heilige van Israël, en zijn Formeerder: Zij hebben Mij van toekomende dingen gevraagd; van Mijn kinderen, zou u Mij van het werk van Mijn handen bevel geven?
12Ik heb de aarde gemaakt, en Ik heb de mens daarop geschapen; Ik ben het! Mijn handen hebben de hemelen uitgebreid, en Ik heb al hun leger bevel gegeven.
13Ik heb hem verwekt in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik recht maken; hij zal Mijn stad bouwen, en hij zal Mijn gevangenen loslaten, niet voor prijs, noch voor geschenk, zegt JAHWEH van de legermachten.
14Zo zegt JAHWEH: De arbeid van de Egyptenaren en de koophandel van de Moren en van de Sabeërs, van de mannen van grote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen de uwe zijn, zij zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeken, zeggende: Zeker, God is in u, en er is anders geen God meer.
15Werkelijk, U bent een God, Die Zich verborgen houdt, de God van Israël, de Heiland.
16Zij zullen beschaamd en ook tot schande worden, zij allen; samen zullen zij met schande heengaan, die de afgoden maken.
17Maar Israël wordt verlost door JAHWEH, met een eeuwige verlossing; u zult niet beschaamd noch tot schande worden, tot in alle eeuwigheden.
18Want zo zegt JAHWEH, Die de hemelen geschapen heeft, Die God, Die de aarde gevormd, en Die ze gemaakt heeft; Hij heeft ze bevestigd, Hij heeft ze niet geschapen, dat zij leeg zijn zou, maar heeft ze gevormd, opdat men daarin wonen zou: Ik ben JAHWEH, en niemand meer.
19Ik heb niet in het verborgene gesproken, in een donkere plaats van de aarde; Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoek Mij te vergeefs; Ik ben JAHWEH, Die gerechtigheid spreekt, Die rechtmatige dingen verkondigt.
20Verzamel u, en komt, treedt hier toe samen, u, die van de heidenen ontkomen bent! Zij weten niets, die hun houten gesneden beelden dragen, en een god aanbidden, die niet verlossen kan.
21Verkondig en treedt hier toe, ja, beraadslaagt samen: wie heeft dat laten horen van ouds her? Wie heeft dat van toen af verkondigd? Ben Ik het niet, JAHWEH? en er is geen God meer behalve Mij, een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik.
22Wend u naar Mij toe, wordt behouden, alle u einden van de aarde! want Ik ben God, en niemand meer.
23Ik heb gezworen bij Mijzelf, er is een woord van de gerechtigheid uit Mijn mond gegaan, en het zal niet terugkeren: dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren.
24Men zal van Mij zeggen: Zeker, in JAHWEH zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen; maar zij zullen beschaamd worden allen, die tegen Hem ontstoken zijn.
25Maar in JAHWEH zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het hele zaad van Israël.