BijbelJesaja

Jesaja 47

Lees Jesaja 47 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Verdere profetie van de verwoesting van het Babylonische rijk, vers 1 enzovoort, vanwege hun wreedheid en onbarmhartigheid tegenover Gods volk, 6, hun hoogmoed, 7, en andere zonden, 9. Hun toverijen zullen hen niet kunnen redden, 12.

1Daal af, en zit in het stof, u jonkvrouw, dochter van Babel! zit op de aarde, er is geen troon meer, u dochter van de Chaldeeën! want u zult niet meer genaamd worden de tedere, noch de wellustige.

2Neem de molen, en maal meel; ontdek uw vlechten, ontbloot de enkelen, ontdek de benen, ga door de rivieren.

3Uw schaamte zal ontbloot worden, ook zal uw schande gezien worden; Ik zal wraak nemen, en Ik zal op u niet aanvallen als een mens.

4De Naam van onze Verlosser is JAHWEH van de legermachten, de Heilige van Israël.

5Zit stilzwijgende, en ga in de duisternis, u dochter van de Chaldeeën! want u zult niet meer genoemd worden koningin van de koninkrijken.

6Ik was op Mijn volk zeer boos, Ik ontheiligde Mijn erfenis, en Ik gaf hen over in uw hand; maar u bewees hun geen barmhartigheden, ja, zelfs over de oude maakte u uw juk zeer zwaar.

7En u zei: Ik zal koningin zijn in eeuwigheid; tot nog toe hebt u deze dingen niet in uw hart genomen, u hebt aan het einde daarvan niet gedacht.

8Nu dan, hoor dit, u weelderige! die zo zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en niemand meer dan ik: ik zal geen weduwe zitten, noch de beroving van kinderen kennen.

9Maar deze beide dingen zullen u in een ogenblik overkomen, op één dag, de beroving van kinderen en weduwschap; volkomen zullen zij u overkomen, vanwege de veelheid van uw toverijen, vanwege de menigte van uw bezweringen.

10Want u hebt op uw boosheid vertrouwd; u hebt gezegd: Niemand ziet mij; uw wijsheid en uw wetenschap heeft u afkerig gemaakt; en u hebt in uw hart gezegd: Ik ben het, en niemand meer dan ik.

11Daarom zal er over u een kwaad komen, u zult de dageraad daarvan niet weten; en een verderf zal er op u vallen, dat u niet zult kunnen verzoenen; want er zal snel een onstuimige verwoesting over u komen, dat u het niet weten zult.

12Sta nu met uw bezweringen, en met de veelheid van uw toverijen, waarin u gewerkt hebt van uw jeugd af; of u misschien voordeel kon doen, of u misschien u kon sterken.

13U bent moe geworden in de veelheid van uw raadslagen; laat nu opstaan, die de hemel waarnemen, die in de sterren kijken, die naar de nieuwe manen voorzeggen; en laat ze u verlossen van die dingen, die over u komen zullen.

14Zie, zij zullen zijn als stoppelen, het vuur zal ze verbranden, zij zullen zichzelf niet kunnen rukken uit de macht van de vlam; het zal geen kool zijn om bij te warmen, geen vuur om daarvoor neer te zitten.

15Zo zullen zij u zijn, met die u gewerkt hebt, uw handelaars van uw jeugd aan, elk zal zijns weegs dwalen, niemand zal u verlossen.