Jesaja 49
Lees Jesaja 49 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Christus verkondigt aan alle volken zijn roeping, vers 1. Hij klaagt over het ongeloof van de Joden, 4, en spreekt over de roeping van de heidenen, 6, en troost de gevangenen en bedrukten, 9. Hij belooft alles wat hinderlijk is om tot Hem te komen, weg te nemen, 11. Hij troost de moedeloze Joden, 14, met de belofte hun geestelijk nageslacht te zullen vermeerderen, 18, en dat de koningen daarvan voedsterheren zouden zijn, 23, en Hij belooft dat Hij hen uit de hand van zowel de lichamelijke als de geestelijke vijanden zou verlossen, 24.
1Hoor naar Mij, u eilanden! en luister toe, u volken van verre! JAHWEH heeft Mij geroepen van de buik af, van Mijn moeders binnenste af heeft Hij Mijn Naam gemeld.
2En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij tot een zuiveren pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen.
3En Hij heeft tot Mij gezegd: U bent Mijn Knecht, Israël, door Wie Ik verheerlijkt zal worden.
4Maar Ik zei: Ik heb te vergeefs gewerkt, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk en zinloos toegebracht; zeker, Mijn recht is bij JAHWEH, en Mijn werkloon is bij Mijn God.
5En nu zegt JAHWEH, Die Mij Zich van moeders buik af tot een Knecht gevormd heeft, dat Ik Jakob tot Hem teruggeven zou; maar Israël zal zich niet verzamelen laten; toch zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van JAHWEH, en Mijn God zal Mijn Sterkte zijn.
6Verder zei Hij: Het is te gering, dat U Mij een Knecht zou zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weer te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven tot een Licht van de heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde van de aarde.
7Zo zegt JAHWEH, de Verlosser van Israël, Zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot Hem, aan Wie het volk een gruwel heeft, tot de Knecht van degenen, die heersen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; omwille van JAHWEH, Die getrouw is, om de Heilige van Israël, Die U gekozen heeft.
8Zo zegt JAHWEH: In die tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord, en op de dag van het heil heb Ik U geholpen; en Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond van het volk, om de aarde op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven;
9Om te zeggen tot de gebondenen: Ga uit; tot hen, die in duisternis zijn: Kom te voorschijn; zij zullen op de wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen.
10Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders van de wateren zachtjes leiden.
11En Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken, en Mijn banen zullen verhoogd zijn.
12Zie, deze zullen van verre komen; en zie, die van het noorden en van het westen, en geen uit het land van Sinim.
13Juich, u hemelen! en verheug u, u aarde! en u bergen! maak gedreun met gejuich; want JAHWEH heeft Zijn volk vertroost, en Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.
14Maar Sion zegt: JAHWEH heeft mij verlaten, en JAHWEH heeft mij vergeten.
15Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon van haar buik? Hoewel deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten.
16Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij.
17Uw zonen zullen zich haasten; maar uw verstoorders en uw verwoesters zullen van u uitgaan.
18Hef uw ogen op rondom, en zie, alle deze verzamelen zich, zij komen tot u; Zo waarachtig als Ik leef, spreekt JAHWEH, zeker, u zult u met alle deze als met een sieraad bekleden, en u zult ze u aanbinden, gelijk een bruid.
19Want in uw woeste en uw eenzame plaatsen, en uw verstoord land, zeker, nu zult u benauwd worden van inwoners; en die u verslonden, zullen zich verre van u maken.
20Nog zullen de kinderen, waarvan u beroofd was, zeggen voor uw oren: De plaats is mij te nauw, wijk van mij, dat ik wonen mag.
21En u zult zeggen in uw hart: Wie heeft mij deze gegenereerd, aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was? Ik was in de gevangenis gegaan, en weggeweken; wie heeft mij dan deze opgevoed? Zie, ik was alleen overgelaten, waar waren deze?
22Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden.
23En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof van uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
24Zou ook een machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen van een rechtvaardige ontkomen?
25Maar zo zegt JAHWEH: Ja, de gevangenen van de machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst van de tiran zal ontkomen; want met uw twisters zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik verlossen.
26En Ik zal uw verdrukkers spijzen met hun eigen vlees, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden, als van zoeten wijn; en alle vlees zal bemerken, dat Ik, JAHWEH, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige van Jakob.