Jesaja 5
Lees Jesaja 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De profeet brengt het volk door een lied over de wijngaard van de Heere de grote weldaden in herinnering die God hen bewezen heeft, vers 1, en daartegenover hun grote ondankbaarheid, 4, die een oorzaak is geweest dat God hen verworpen heeft, 5. Wee over de rijken en hebzuchtigen, 8, en over de dronkaards, 11, en de brassers, 12. Een vertroosting voor de vromen, 17. Wee over de onrechtvaardigen, 18, en de spotters met de dreigingen van God, 19, en over hen die alles verdraaien, 20, over de hoogmoedigen, 21, over de dronkaards, 22, en onrechtvaardige rechters, 23, hun straf, 24. Het verzamelen, het oprukken en de verschrikkelijkheid van het leger van de Chaldeeen tegen de Joden, 26.
1Nu zal ik mijn Geliefde een lied van mijn Liefste zingen van Zijn wijngaard; Mijn Geliefde heeft een wijngaard op een vetten heuvel.
2En Hij heeft die omtuind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in het midden daarvan een toren gebouwd, en ook een wijnbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht.
3Nu dan, u inwoners van Jeruzalem, en u mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijn wijngaard.
4Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, dat Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?
5Nu dan, Ik zal u nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.
6En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid, noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal de wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen.
7Want de wijngaard van JAHWEH van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn een plant van zijn verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurft, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.
8Wee degenen, die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geen plaats meer zij, en dat u alleen inwoners gemaakt wordt in het midden van het land!
9Voor mijn oren heeft JAHWEH van de legermachten gesproken: Zo niet vele huizen tot verwoesting zullen worden, de grote en de voortreffelijke zonder inwoner!
10Ja, tien bunderen wijngaards zullen één enig bath geven, en een homer zaads zal een efa geven.
11Wee degenen, die, zich vroeg opmakende in de morgenstond, sterke drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit!
12En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk van JAHWEH niet, en zij zien niet op het maaksel van Zijn handen.
13Daarom zal mijn volk als gevangene weggevoerd worden, omdat het geen wetenschap heeft; en zijn heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte zal verdorren van dorst.
14Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat neerdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar geluid, en die in haar van vreugde opspringt.
15Dan zal de gewone man neergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen van de hoogmoedigen zullen vernederd worden.
16Maar JAHWEH van de legermachten zal verhoogd worden door het recht; en God, die Heilige, zal geheiligd worden door gerechtigheid.
17En de lammeren zullen weiden naar hun wijze, en de vreemdelingen zullen de woeste plaatsen van de vetten eten.
18Wee degenen, die de ongerechtigheid trekken met koorden van de zinloosheid, en de zonde als met dikke wagenzelen!
19Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen de raadslag van de Heilige van Israël, dat wij het vernemen!
20Wee degenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid!
21Wee degenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelf verstandig zijn!
22Wee degenen, die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterke drank te mengen!
23Die de goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en de gerechtigheid van de rechtvaardigen van hen afwenden.
24Daarom, gelijk de tong van het vuur de stoppel verteert, en het kaf door de vlam verdaan wordt, zo zal hun wortel als een uittering wezen; en hun bloem zal als stof opvaren; omdat zij verwerpen de wet van JAHWEH van de legermachten, en de rede van de Heilige van Israël versmaden.
25Daarom is de toorn van JAHWEH ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft ertegen Zijn hand uitgestrekt, en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen hebben gebeefd, en hun dode lichamen zijn geworden als mest in het midden van de straten. Om dit alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
26Want Hij zal een banier opwerpen onder de heidenen van verre, en Hij zal hen herwaarts sissen van het einde van de aarde; en zie, haastig, snel zullen zij aankomen.
27Geen moede, en geen struikelende zal onder hen wezen; niemand zal sluimeren noch slapen, noch de gordel van zijn lendenen ontbonden worden, noch de schoenriem van zijn schoenen afgescheurd worden.
28Van wie de pijlen scherp zullen zijn, en al hun bogen gespannen; de hoeven van hun paarden zullen als een rots geacht zijn, en hun wielen als een wervelwind.
29Hun gebrul zal zijn als van een oude leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en de roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn.
30En zij zullen ertegen op die dag bruisen, als het bruisen van de zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hun verwoestingen.