BijbelJesaja

Jesaja 53

Lees Jesaja 53 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

In dit hoofdstuk wordt allereerst gesproken over het ongeloof van de Joden ten tijde van de verschijning van Christus in het vlees, vers 1. Daarna over de vernedering, het lijden en sterven van Christus, evenals over zijn verhoging en heerlijkheid, en over de vruchten die de kerk daarvan ontvangt en geniet.

1Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van JAHWEH geopenbaard?

2Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.

3Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in ziekte; en ieder was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.

4Werkelijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; maar wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.

5Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.

6Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons ieder naar zijn weg; maar JAHWEH heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.

7Als Hij geëist werd, toen werd Hij verdrukt; maar Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open.

8Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden; om de overtreding van Mijn volk is de plaag op Hem geweest.

9En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.

10Maar het behaagde JAHWEH Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem ziek gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen van JAHWEH zal door Zijn hand gelukkig voortgaan.

11Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.

12Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in de dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.