BijbelJesaja

Jesaja 57

Lees Jesaja 57 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De Heere verwijt de Joden hun lichtvaardige zorgeloosheid, omdat zij niet letten op de dood van de vrome en godvrezende mannen, vers 1 enzovoort, en ook omdat zij de profeten bespotten, 4, en afgoderij bedreven, 5, en omdat zij zich op menselijke hulp verlieten, 9. Daarom dreigt Hij hen te straffen, 12, maar Hij troost de boetvaardigen en belooft hun genade te bewijzen, 13, maar de goddelozen hebben geen vrede, 20.

1De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter harte neemt; en de weldadige mensen worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad.

2Hij zal ingaan in de vrede; zij zullen rusten op hun slaapsteden, een ieder die in zijn oprechtheid gewandeld heeft.

3Maar nadert u hier toe, u kinderen van de guichelares! u overspelig zaad, en u, die hoererij bedrijft!

4Over wie maakt u zich lustig, over wie spert u de mond wijd open en steekt de tong lang uit? Bent u niet kinderen van de overtreding, een zaad van de valsheid?

5Die hittig bent in de eikenbossen, onder alle groene boom; slachtende de kinderen aan de beken, onder de hoeken van de steenrotsen.

6Aan de gladde stenen van de beken is uw deel, die, die zijn uw lot; ook stort u aan hen drankoffer uit, u offert hun voedseloffer; zou Ik Mij over deze dingen troosten laten?

7U stelt uw leger op een hogen en verhevenen berg; ook klimt u daarheen op, om slachtoffer te offeren.

8En achter de deur en posten zet u uw gedenkteken; want van Mij wijkende ontdekt u zich, en klimt op; u maakt uw leger wijd, en maakt u een verbond met enigen daaruit, u hebt hun leger lief in elke plaats, die u ziet.

9En u trekt met olie tot de koning, en u vermenigvuldigt uw geurende zalven; en u zendt uw gezanten verre weg, en vernedert u tot het dodenrijk toe.

10U bent vermoeid door uw grote reis, maar u zegt niet: Het is buiten hoop; u hebt het leven van uw hand gevonden, daarom wordt u niet ziek.

11Maar voor wie hebt u geschroomd of gevreesd? Want u hebt gelogen, en bent aan Mij niet gedachtig geweest, u hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet, omdat Ik zwijg, en dat van ouds af, en u vreest Mij niet?

12Ik zal uw gerechtigheid bekend maken, en uw werken, dat zij u geen nut doen zullen.

13Wanneer u roepen zult, zo laat die, die van u verzameld zijn, u redden; maar de wind zal hen allen wegvoeren, de zinloosheid zal hen wegnemen. Maar die op Mij betrouwt, die zal de aarde erven, en Mijn heilige berg erfelijk bezitten.

14En men zal zeggen: Verhoog de baan, verhoogt de baan, bereid de weg, neem de aanstoot uit de weg van Mijn volk.

15Want zo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij hem, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make de geest van de nederigen, en opdat Ik levend make het hart van de verbrijzelden.

16Want Ik zal niet eeuwig twisten, en Ik zal niet steeds toornig zijn; want de geest zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb.

17Ik was toornig over de ongerechtigheid van hun gierigheid, en sloeg hen; Ik verborg Mij, en was toornig; evenwel gingen zij afkerig heen in de weg van hun harten.

18Ik zie hun wegen, en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden, en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hun treurigen.

19Ik schep de vrucht van de lippen, vrede, vrede van hen, die verre zijn, en van hen, die nabij zijn, zegt JAHWEH, en Ik zal hen genezen.

20Maar de goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op.

21De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.