Jesaja 6
Lees Jesaja 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De profeet ziet in een visioen de heerlijkheid van de ware God, vers 1, waarover hij verschrikt wordt, 5. Hij wordt in zijn ambt bevestigd, 6. Zijn bereidheid om God te dienen, 8. Hij wordt naar de Joden gezonden om hun, vanwege hun verstoktheid, hun uiteindelijke ondergang aan te kondigen, 9, echter zo, dat er nog een heilig zaad onder hen zou overblijven, 13.
1In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik de Heere, zittende op een hoge en verheven troon, en Zijn zomen vervullende de tempel.
2De serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.
3En de één riep tot de ander, en zei: Heilig, heilig, heilig is JAHWEH van de legermachten! De hele aarde is van Zijn heerlijkheid vol!
4Zodat de posten van de dorpels zich bewogen van de stem van de roepende; en het huis werd vervuld met rook.
5Toen zei ik: Wee mij, want ik verga! omdat ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, JAHWEH van de legermachten gezien.
6Maar één van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had.
7En hij roerde mijn mond daarmee aan, en zei: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; zo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend.
8Daarna hoorde ik de stem van de Heere, die zei: Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons heengaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij heen.
9Toen zei Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet.
10Maak het hart van dit volk vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze.
11Toen zei ik: Hoe lang, Heere? En Hij zei: Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat het land met verwoesting verstrooid wordt.
12Want JAHWEH zal die mensen verre wegdoen, en de verlating zal groot wezen in het binnenste van het land.
13Maar nog een tiende deel zal daarin zijn, en het zal terugkeren, en zijn om af te weiden; maar gelijk de eik, en gelijk de haageik, waarin na de afwerping van de bladeren nog steunsel is, zo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn.