Jesaja 60
Lees Jesaja 60 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De Heere vermaant zijn kerk dat zij zich zou verheugen, vanwege de gelukzaligheid die haar door Christus verworven is, vers 1, terwijl Hij haar verlicht met de ware kennis van God, 2, die ook de heidenen zouden genieten, 3, die zich in grote menigten bij haar zouden voegen, 4, waardoor zij versierd, verheerlijkt en verrijkt zou worden, 15, en de Heere haar zou beschutten en haar licht zou zijn, 16.
1Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid van JAHWEH gaat over u op.
2Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; maar over u zal JAHWEH opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.
3En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot de glans, die u is opgegaan.
4Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn verzameld, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden.
5Dan zult u het zien en samenvloeien, en uw hart zal bevreesd zijn en verwijd worden; want de menigte van de zee zal tot u gekeerd worden, het leger van de heidenen zal tot u komen.
6Een hoop kamelen zal u bedekken, de snelle kamelen van Midian en Hefa; zij allen uit Scheba zullen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen, en zij zullen de overvloedigen lof van JAHWEH boodschappen.
7Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden; de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op Mijn altaar, en Ik zal het huis van Mijn heerlijkheid heerlijk maken.
8Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?
9Want de eilanden zullen Mij verwachten, en de schepen van Tarsis allereerst, om uw kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot de Naam van JAHWEH, uw God, en tot de Heilige van Israël, omdat Hij u heerlijk gemaakt heeft.
10En de vreemden zullen uw muren bouwen, en hun koningen zullen u dienen; want in Mijn toorn heb Ik u geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd.
11En uw poorten zullen steeds openstaan, zij zullen overdag of in de nacht niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het leger van de heidenen, en hun koningen tot u geleid worden.
12Want het volk en het koninkrijk, die u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen geheel verwoest worden.
13De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beuke boom en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats van Mijn heiligdom, en Ik zal de plaats van Mijn voeten heerlijk maken.
14Ook zullen, zich buigende, tot u komen de kinderen van degenen, die u onderdrukt hebben, en allen, die u gelasterd hebben zullen zich neerbuigen aan de planten van uw voeten; en zij zullen u noemen de stad van JAHWEH, het Sion van de Heilige van Israël.
15In plaats dat u verlaten en gehaat bent geweest, zodat niemand door u heen ging, zo zal Ik u stellen tot een eeuwige heerlijkheid, tot een vreugde van geslacht tot geslacht.
16En u zult de melk van de heidenen zuigen, en u zult de borsten van de koningen zuigen; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben, uw Heiland, en uw Verlosser, de Machtige van Jakob.
17Voor koper zal Ik goud brengen, en voor ijzer zal Ik zilver brengen, en voor hout koper, en voor stenen ijzer; en zal uw opzichters vreedzaam maken, en uw drijvers rechtvaardigen.
18Er zal geen geweld meer gehoord worden in uw land, verstoring noch verbreking in uw gebied; maar uw muren zult u Heil heten, en uw poorten Lof.
19De zon zal u niet meer wezen tot een licht overdag, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar JAHWEH zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid.
20Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal haar licht niet intrekken; want JAHWEH zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen van uw treuring zullen een einde nemen.
21En uw volk zullen allen samen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een spruit van Mijn plantingen, een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt word.
22De kleinste zal tot duizend worden, en de minste tot een machtig volk; Ik, JAHWEH, zal dat te zijner tijd snel doen komen.