BijbelJesaja

Jesaja 66

Lees Jesaja 66 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De Heere bestraft de Joden die zich op de uiterlijke tempel verlieten, vers 1, en wijst aan wie Hem behagen, 2. Dreiging over de weerspannigen, 4. Daarna troost Hij de godvrezenden, 5. De Heere belooft dat Hij zijn kerk zal vermeerderen en zegenen, 7, tot vreugde en blijdschap van haar liefhebbers, 10. Maar haar vijanden zal Hij vernietigen, 15. Over de roeping van de heidenen, 18, en de helse straf van de goddelozen, 24.

1Zo zegt JAHWEH: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank van Mijn voeten; waar zou dat huis zijn, dat u Mij zou bouwen, en waar is de plaats van Mijn rust?

2Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt JAHWEH; maar op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.

3Wie een os slacht, slaat een man; wie een lam offert, breekt een hond de hals; wie voedseloffer offert, is als die zwijnenbloed offert; wie wierook brandt als gedenkoffer, is als die een afgod zegent. Deze verkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust aan hun gruwelijke dingen.

4Ik zal ook verkiezen het loon van hun handelingen, en hun vrees zal Ik over hen doen komen, omdat Ik geroepen heb, en niemand antwoordde, Ik gesproken heb en zij niet hoorden, maar deden dat kwaad is in Mijn ogen, en gekozen wat, waartoe Ik geen lust had.

5Hoor het woord van JAHWEH, u, die voor Zijn woord beeft! Uw broers, die u haten, die u verre afzonderen, omwille van Mijn Naam, zeggen: Dat JAHWEH heerlijk worde! Maar Hij zal verschijnen tot uw vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden.

6Er zal een stem van een groot rumoer uit de stad zijn, een stem uit de tempel, de stem van JAHWEH, Die Zijn vijanden de verdiensten vergeldt.

7Voordat zij barensnood had, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een jongetje verlost.

8Wie heeft ooit dat gehoord? Wie heeft dergelijks gezien? Zou een land kunnen geboren worden op een enige dag? Zou een volk kunnen geboren worden op een enige reize? Maar Sion heeft weeën gekregen, en zij heeft haar zonen gebaard.

9Zou Ik de baarmoeder openbreken, en niet genereren? zegt JAHWEH; zou Ik, Die genereer, voortaan toesluiten? zeg uw God.

10Verblijd u met Jeruzalem, en verheugt u over haar, al haar liefhebbers! Wees vrolijk over haar met vreugde, u allen, die over haar bent treurig geweest!

11Opdat u mag zuigen, en verzadigd worden van de borsten van haar vertroostingen; opdat u mag uitzuigen, en u verlusten met de glans van haar heerlijkheid.

12Want zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal de vrede over haar uitstrekken als een rivier, en de heerlijkheid van de heidenen als een overlopende beek; dan zult u zuigen; u zult op de zijden gedragen worden, en op de knieën zeer vriendelijk getroeteld worden.

13Als een, die zijn moeder troost, zo zal Ik u troosten; ja, u zult te Jeruzalem getroost worden.

14En u zult het zien, en uw hart zal vrolijk zijn, en uw beenderen zullen groenen als het tedere gras; dan zal de hand van JAHWEH bekend worden aan Zijn knechten, en Hij zal Zijn vijanden gram worden.

15Want zie, JAHWEH zal met vuur komen, en Zijn wagens als een wervelwind; om met woede Zijn toorn hiertoe te wenden, en Zijn bestraffing met vuurvlammen.

16Want met vuur, en met Zijn zwaard zal JAHWEH in het recht treden met alle vlees; en de verslagenen van JAHWEH zullen vermenigvuldigd zijn.

17Die zichzelf heiligen, en zichzelf reinigen in de hoven, achter één in het midden daarvan, die zwijnenvlees eten, en gruwel, en muizen; samen zullen zij verteerd worden, spreekt JAHWEH.

18Hun werken en hun gedachten! Het komt, dat Ik verzamelen zal alle heidenen en tongen, en zij zullen komen, en zij zullen Mijn heerlijkheid zien.

19En Ik zal een teken aan hen zetten, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen naar Tarsis, Pul, en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen.

20En zij zullen al uw broers uit alle heidenen aan JAHWEH als voedseloffer brengen, op paarden, en op wagens, en op rosbaren, en op muildieren, en op snelle lopers, naar Mijn heilige berg toe, naar Jeruzalem, zegt JAHWEH, zoals de Israëlieten het voedseloffer in een rein voorwerp brengen in het huis van JAHWEH.

21En ook zal Ik daaruit enigen tot priesters en tot Levieten nemen, zegt JAHWEH.

22Want zoals die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt JAHWEH, zo zal ook uw zaad en uw naam staan.

23En het zal gebeuren, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van de ene sabbat tot de andere, alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt JAHWEH.

24En zij zullen heen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen van de mensen zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen alle vlees een afgrijzing wezen.