BijbelJesaja

Jesaja 7

Lees Jesaja 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Jeruzalem wordt belegerd door Rezin en Pekah, vers 1. God zendt Jesaja naar Achaz om hem te troosten en moed te geven, 3, en voorzegt dat zij niets zouden uitrichten, 7, maar dat zij zelf vernietigd zouden worden, 8. Tot bevestiging hiervan geeft God Achaz een teken en kondigt hem de ontvangenis en geboorte van Christus aan, 14. Maar omdat Achaz deze aangeboden genade verwerpt, laat de Heere hem aanzeggen dat het koninkrijk Juda door de Egyptenaren en Assyriers verwoest zou worden, 17. De ellendige toestand van het Joodse land, 22 enzovoort.

1Het gebeurde nu in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar.

2Als men het huis van David boodschapte, zeggende: De Syriërs rusten op Efraïm, zo bewoog zich zijn hart en het hart van zijn volk, gelijk de bomen van het woud bewogen worden van de wind.

3En JAHWEH zei tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, u en uw zoon, Schear-jaschub, aan het einde van de watergang van de bovenste vijver, aan de hoge weg van het veld van de bleker;

4En zeg tot hem: Wees op uw hoede, en wees gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, vanwege die twee staarten van deze rokende vuurbranden; vanwege de ontsteking van de toorn van Rezin en van de Syriërs, en van de zoon van Remalia;

5Omdat de Syriër kwaad tegen u beraadslaagd heeft, met Efraïm en de zoon van Remalia, zeggende:

6Laat ons optrekken tegen Juda, en het verdriet aandoen, en het onder ons delen, en de zoon van Tabeal koning maken in het midden van hen.

7Zo zegt Adonai JAHWEH: Het zal niet bestaan, en het zal niet gebeuren.

8Maar Damascus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van Damascus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraïm verbroken worden, dat het geen volk zij.

9Ondertussen zal Samaria Efraïms hoofd zijn, en de zoon van Remalia het hoofd van Samaria. Als u niet gelooft, zeker, u zult niet bevestigd worden.

10En JAHWEH voer voort te spreken tot Achaz, zeggende:

11Eis u een teken van JAHWEH, uw God; eis beneden in de diepte, of eis boven uit de hoogte.

12Maar Achaz zei: Ik zal het niet eisen, en ik zal JAHWEH niet verzoeken.

13Toen zei hij: Hoor u nu, u, huis van David! is het u te weinig, dat u de mensen moe maakt, dat u ook mijn God moe maakt?

14Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven; zie, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten.

15Boter en honing zal Hij eten, totdat Hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede.

16Zeker, eer dit Knechtje weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede, zal dat land, waarover u verdrietig bent, verlaten zijn van zijn twee koningen.

17Maar JAHWEH zal over u, en over uw volk, en over het huis van uw vader, dagen doen komen, zoals niet gekomen zijn van die dag af, dat Efraïm van Juda is afgeweken, door de koning van Assyrië.

18Want het zal op die dag gebeuren, dat JAHWEH zal toesissen de vliegen, die aan het einde van de rivieren van Egypte zijn, en de bijen die in het land van Assur zijn.

19En zij zullen komen, en zij allen zullen rusten in de woeste dalen, en in de kloven van de steenrotsen, en in al de doornhagen, en in alle geprezene plaatsen.

20Te die dage zal de Heere door een gehuurd scheermes, dat aan de overzijde van de rivier is, door de koning van Assyrië, afscheren het hoofd, en het haar van de voeten; ja, het zal ook de baard geheel wegnemen.

21En het zal gebeuren op die dag, dat iemand een koetje in het leven zal behouden hebben, en twee schapen;

22En het zal gebeuren, dat hij vanwege de veelheid van de melk, die zij geven zullen, boter zal eten; ja, een ieder, die overgebleven zal zijn in het midden van het land, die zal boter en honing eten.

23Ook zal het op dezelfde dag gebeuren, dat iedere plaats, alwaar duizend wijnstokken geweest zijn, van duizend zilverlingen, tot doornen en distelen zal zijn;

24Dat men met pijlen en met de boog daar zal moeten gaan; want het hele land zal doornen en distelen zijn.

25Ook al de bergen, die men met houwelen pleegt om te hakken, daar zal men niet komen uit vrees van de doornen en van de distelen; maar die zullen wezen tot inzending van de os, en tot vertreding van het kleinvee.