BijbelJezus Sirach

Jezus Sirach 17

Lees Jezus Sirach 17 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Hoe God de mens heeft geschapen en hem veel waardigheden boven andere schepselen heeft gegeven. 14 Bij de verdeling van de volken heeft hij elk volk zijn overste gegeven, maar Israël voor zichzelf behouden. 16 Waarom hij ook in het bijzonder op hen let, om hun zonden te straffen en hun bekering aan te nemen. 19 Vermaant hen daarom om weer tot God te keren.

1DE Heere heeft de mens uit aarde geschapen, en heeft hem weer daarin doen terugkeren.

2Hij heeft hun een getal van dagen, en een bestemde tijd gegeven, en heeft hun macht gegeven over de dingen die daarop zijn.

3Hij heeft hen bekleed met sterkte, naar hun gelegenheid, en heeft hen naar zijn evenbeeld gemaakt.

4Hij heeft hun vrees gelegd op alle vlees, en gegeven dat hij zou heersen over de dieren en vogels, naar zijn gelijkenis.

5En voor het zesde heeft hij hun het vernuft geschonken, uitdelende zijn gaven, en voor het zevende, de spraak, die is een uitlegging van zijn werken.

6Hij heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap van het verstand heeft hij hen vervuld, en hun wat goed en kwaad is getoond.

7Hij heeft zijn ogen op hun harten gelegd; hij heeft hun gegeven in eeuwigheid te mogen roemen in zijn wonderen, opdat zij zijn werken verstandig zouden verhalen;

8En de uitverkorenen zullen de naam van zijn heiligmaking prijzen.

9Hij heeft hun nog toegelegd wetenschap, en hun de wet van het leven tot een erfdeel gegeven, opdat zij zouden verstaan, dat zij nu sterfelijk zijn.

10Een eeuwig verbond heeft hij met hen opgericht, en hun getoond zijn oordelen.

11Hun ogen hebben zijn heerlijke majesteit gezien, en hun oor heeft gehoord de heerlijkheid van zijn stem, en heeft tot hen gezegd:

12Wees op uw hoede voor alle ongerechtigheid, en heeft hun geboden gegeven, elk één van zijn naaste.

13Hun wegen zullen niet verborgen zijn voor zijn ogen, zijnde altijd voor hem, maar ieder mens is van de jeugd af geneigd tot het kwade, en, zij hebben hun harten in plaats van steen en geen vlesen kunnen maken.

14Want in de verdeling van de volken van de hele aarde heeft Hij over elk volk een overste gesteld, maar Israël nam hij tot zijn deel aan, die, zijnde zijn eerstgeborene, de tucht opvoedt, en hij deelt hem mee het licht van de liefde, en begeeft hem niet.

15Daarom zijn al hun werken voor hem zoals de zon, en zijn ogen zien steeds op hun wegen.

16Hun ongerechtigheden zijn niet verborgen voor hem, en al hun zonden zijn voor Heere, maar Heere zijnde goedertieren, en zijn maaksel kennende, heeft hen noch begeven noch verlaten, maar heeft hen gespaard.

17Want de barmhartigheid tegen de man is zoals een zegel bij hem, en zal de genade tegen de mens bewaren als zijn oogappel, gevende zijn zonen en dochters bekering, daarna zal hij opstaan en hen weer vergelden, en hun vergelding zal hij op hun hoofd vergelden.

18Maar de boetvaardige heeft Hij gegeven weer te keren, en heeft tot zich geroepen die de volharding verlieten.

19Bekeer u dan tot Heere, en verlaat de zonden; smeek voor Zijn aangezicht, en verminder de aanstoot.

20Ga weer tot de Allerhoogste, en keer u af van ongerechtigheid, want Hij zal u geleiden uit de duisternis in een verlichting van de gezondheid.

21En haat zeer de gruwel.

22Wie zal de Allerhoogste prijzen in het graf, in plaats van de levenden, en van degenen die dankzegging spreken?

23Van een dode, als die van een die niet meer is, gaat de dankzegging verloren.

24Maar die leeft en gezond van hart is, zal Heere prijzen.

25Hoe groot is de ontferming van Heere onze God, en de verzoening voor degenen die zich heilig tot Hem bekeren.

26Want alle dingen kunnen in de mensen niet zijn, omdat geen mensenzoon onsterfelijk is.

27Wat is klaarder dan de zon, en toch bezwijkt ze; zo ook de mens die vlees en bloed betracht.

28Hij ziet aan de kracht van de hoge hemel, en alle mensen zijn maar aarde en as.