Jezus Sirach 18
Lees Jezus Sirach 18 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Onderwijs over de macht en barmhartigheid van God. 7 De broosheid van de mens. 15 Zachtmoedigheid en vriendelijkheid. 19 Heiligheid met voorzichtigheid. 30 Matigheid en nuchterheid.
1DIE in eeuwigheid leeft, heeft alle dingen gezamenlijk geschapen.
2Heere is alleen rechtvaardig, en daar is geen ander dan Hij; Hij heeft de wereld gebouwd met de span van Zijn hand, en alle dingen zijn Zijn wil gehoorzaam. Want hij is een koning van alle dingen door zijn kracht, onderscheiden daarin wat heilig is van het onheilige.
3Wie heeft hij macht gegeven zijn werken te verkondigen en wie heeft zijn grote daden uitgespeurd?
4Wie zal de kracht van zijn majesteit uitrekenen? en wie zal nog daarbij zijn barmhartigheden verhalen?
5De wonderen van Heere zijn niet te verminderen noch te vermeerderen, en zijn niet uit te speuren.
6Wanneer de mens zal hebben voltooid, dan begint hij, en wanneer hij zal opgehouden hebben, dan zal hem nog ontbreken.
7Wat is de mens? en waartoe is hij nut? wat is zijn goed en wat is zijn kwaad?
8Het getal van de dagen van de mens aangaande honderd jaren zijn vele, maar het ontslapen van een ieder kan van niemand berekend worden.
9Zoals een druppel water is te rekenen tegen het water van de zee, en een greintje zand tegen het zand aan de zee, zo zijn duizend jaren tegen de dagen van de eeuwigheid.
10Daarom is Heere geduldig over hen, en giet Zijn barmhartigheid op hen uit.
11Hij heeft gezien en verstaan hun einde dat het kwaad is, daarom heeft hij zijn verzoening vermenigvuldigd.
12De barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste, maar de barmhartigheid van Heere over alle vlees.
13Hij bestraft, en onderwijst, en leert, en bekeert zoals een herder zijn kudde.
14Hij ontfermt zich over degenen, die onderwijzing aannemen, en die zich zeer haasten tot zijn oordelen.
15Mijn kind, wanneer het u wèl gaat, zo geef geen oorzaak tot berisping, en bedroef niemand met boze woorden, als u om iets gebeden wordt.
16Zal niet de dauw de hitte doen ophouden? zo is een woord beter dan een gave.
17Zie, is een woord niet boven een goed geschenk? en beide zijn ze bij de mens aangenaam.
18Een zot verwijt zijn weldaad onbeleefd, en de gift van een nijdig mens doet hem de ogen uitdrogen.
19Leer voordat u spreekt, en gebruik medicijn voordat u ziek wordt.
20Voordat u geoordeeld wordt, bereid uzelf tot weldoen, en u zult verzoening vinden in het uur van de bezoeking.
21Verneder u door matigheid, voordat u ziek wordt, en bewijs in de tijd van de zonden uw bekering.
22Laat u niet hinderen uw belofte te betalen op de juiste tijd, en verwijl niet tot aan de dood rechtvaardig te worden.
23Bereid uzelf voordat u uw gelofte doet, en wees niet zoals een die Heere verzoekt.
24Gedenk aan de toorn die komen zal in de dagen van de dood, en aan de tijd van de wraak, als Heere Zijn aangezicht zal afkeren.
25Gedenk aan de tijd van de honger, in de tijd van de volheid, aan armoede en gebrek in de dag van de rijkdom.
26Van 's morgens vroeg tot op de avond verandert de tijd, en al deze dingen zijn haastig voor Heere. Een wijs mens vreest altijd, en in de dagen van de zonden wacht hij zichzelf voor mishandeling, maar een dwaas zal de tijd niet waarnemen.
27Een ieder die verstandig is kent wijsheid en onderwijzing.
28En wie ze vindt, die zal zij geven dat openbaar te belijden.
29Die verstandig zijn in woorden, die handelen ook wijs; en gieten uit, als een regen, scherpzinnige spreuken tot het leven. Beter is het betrouwen op Heere alleen, daar het dode hart hangt aan wat dat dood is.
30Ga uw lusten niet na, maar bedwing u van uw begeerten.
31Als u uw ziel toereikt de lust van haar welbehagen, zo zult u uw vijanden die u benijden een vreugde maken.
32Verheug u niet in de veelheid van uw lekkernijen, en wees niet begerig naar haar raad.
33Word niet arm, makende gelagen van ontleend geld, daar u niets hebt in de beurs, want anders zult u een spion zijn van uw eigen leven, waar men van spreken zal.