BijbelJezus Sirach

Jezus Sirach 21

Lees Jezus Sirach 21 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Dat men niet moet voortgaan in het zondigen. 8 Noch hoog spreken. 9 Noch van andermans geld huizen bouwen. 10 Noch slecht gezelschap zoeken. 12 Maar God vrezen. 14 Onderscheid tussen een wijs en een dwaas man.

1MIJN kind, hebt u gezondigd, doe daar geen zonde meer bij, en bid de vorige af.

2Vlucht voor de zonde zoals voor een slang, want als u tot haar naakt, zo zal zij u steken.

3Haar tanden zijn leeuwentanden, en doden de zielen van de mensen.

4Alle ongerechtigheid is zoals een tweesnijdend zwaard, en geen genezing is er voor haar wonde.

5Slagen en smaad verwoesten rijkdom; zo zal het huis van de hoogmoedigen verwoest worden.

6De smeking van de arme gaat uit de mond tot aan zijn oren, en zijn oordeel komt haastig.

7Wie bestraffing haat, die staat in de voetstappen van de zondaar, en wie Heere vreest, die bekeert zich van harte.

8Wie machtig is met de tong, die is van verre bekend, maar een verstandige merkt wel wanneer hij struikelt.

9Wie zijn huis met geld van andere mensen bouwt, die is zoals een die voor zichzelf stenen verzamelt tot een tombe op zijn graf.

10De vergadering van de goddelozen is zoals werk dat bijeen verzameld is, en haar voleinding is een vlam van vuur tot verderf.

11De weg van de zondaar is van stenen geëffend, maar aan het uiterste daarvan is de gracht van het dodenrijk.

12Wie de wet van Heere bewaart, die heerst over zijn gedachten.

13Maar de voleinding van de vrees voor de Heere is de aanneming van de wijsheid.

14Wie niet kloek is, die zal niet onderwezen worden, hoewel er een kloekheid is die bitterheid vermeerdert.

15De kennis van een wijze zal vermeerderd worden als een watervloed, en zijn raad zoals een zuivere fontein van het leven.

16Het binnenste van de dwaas is zoals een gebroken kruik, het zal geen kennis vatten, zo lang hij leeft.

17Als de verstandige een wijs woord hoort, zo prijst hij dat, en doet daar nog toe.

18Heeft het een onverstandige gehoord, zo mishaagt het hem, en hij werpt het achter zijn rug.

19De vertelling van een dwaas is zoals een last op de weg, maar op de lippen van de verstandige wordt aangenaamheid gevonden.

20De mond van de voorzichtige wordt in de gemeente gezocht, en elk overdenkt zijn woorden in zijn hart.

21Zoals een huis dat vergaan is, zo is de vrijheid van de dwaas, en de kennis van de onverstandige niets anders dan woorden, die men niet onderzoeken kan.

22De tucht is de onwetende als boeien aan de voeten, en als duimijzers aan de rechterhand.

23Een dwaas verheft zijn stem in het lachen, maar een kloek man zal nauwelijks stilletjes lachen.

24De tucht is de voorzichtige man zoals een gulden versiersel, en zoals een armband aan de rechterarm.

25De voet van de dwaas is haastig tot een huis in te gaan, maar een mens, die veel ervaren heeft, wordt daarvan beschaamd.

26De onwijze zal over de deur in het huis kijken, maar een man die wel opgevoed is, zal buiten blijven staan.

27Het is een ongeschiktheid van de mens te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige bezwaart zich over deze oneer.

28De lippen van de veelsprekers verhalen dingen die hun niet aangaan, maar de woorden van de voorzichtigen zijn op de waag gewogen.

29Het hart van de dwazen is in hun mond, maar de mond van de wijzen is in hun hart.

30Wanneer een goddeloze de Satan vervloekt, zo vervloekt hij zijn eigen ziel.

31Een oorblazer besmet zijn eigen ziel, en waar hij ook zou mogen gaan wonen, daar zal hij gehaat worden.