BijbelJezus Sirach

Jezus Sirach 22

Lees Jezus Sirach 22 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Over de luiheid. 3 Welke kinderen hun ouders eer of oneer aandoen. 8 Over dwazen. 19 Over verstandigen. 24 Wat de vriendschap kan verdragen, 27 en wat zij vereist.

1DE luiaard is te vergelijken bij een beslijkte steen, en een ieder schuift hem weg om zijn oneer.

2Een luie is zoals koeienmest op de mesthoop; wie hem opneemt, schudt de hand af.

3Het is de schande van de vader wanneer hij een ongeschikte zoon gewonnen heeft, en zulk een dochter wordt hem tot verkleining.

4Een voorzichtige dochter zal erfgenaam zijn van haar man, maar een die beschaamd maakt, is tot verdriet van degene die haar gegenereerd heeft.

5Een stoute dochter maakt vader en man beschaamd, en van beiden zal zij ongeëerd blijven.

6Een ontijdig verhaal is zoals muziek in rouw, maar geselen en tuchtiging op de juiste tijd is een werk van wijsheid.

7Kinderen, die in een goed leven worden opgevoed, verbergen de slechte afkomst van hun ouders; kinderen die in verachting en ongeschiktheid zich beroemen, die bevlekken de edele afkomst van hun geslacht.

8Wie een dwaas leert, die lijmt scherven aaneen, en wekt de slapende uit een diepe slaap.

9Wie een dwaas wat vertelt, die vertelt het een sluimerende, en in het einde zal hij zeggen: Wat is het?

10Ween over een dode, want het licht heeft hem begeven. Beween ook een dwaas, want het verstand heeft hem begeven.

11Ween over een dode zachter, omdat hij rust.

12Want het leven van een dwaas is boven de dood.

13De rouw over een dode duurt zeven dagen, maar over een dwaas en goddeloze al de dagen van zijn leven.

14Spreek niet lang met een onwijze, en ga niet tot een onverstandige, want ongevoelig zijnde zal hij al uw dingen voor niets achten.

15Hoed u voor hem, opdat u geen moeite hebt, en niet bezoedeld wordt, als hij zijn vuilheid uitschudt.

16Wijk van hem, en u zult rust vinden, en u zult niet verluieren in zijn zinneloosheid.

17Wat is er zwaarder dan lood, en wat naam zal hij hebben anders dan lood.

18Zand en zout en een klomp ijzer zijn lichter om te dragen, dan een onverstandig mens.

19Zoals een houten band, vast ingebonden in een gebouw, niet los gaat door een schudding, zo wordt een hart steunende op welbedachte raad, nimmer door vrees bevangen.

20Een hart dat op verstandige gedachten gevestigd is, is zoals een versierd pleisterwerk aan de muur van een pand.

21Palen omhoog gezet tegen de wind, kunnen niet blijven,

22Zo kan een bevreesd hart in de gedachte van de dwaas tegen geen vrees bestaan.

23Wie in een oog steekt, brengt daar tranen uit, en die in het hart steekt brengt het gevoelen te voorschijn.

24Wie een steen onder de vogels werpt, die jaagt ze weg, en wie zijn vriend scheldt, die maakt de vriendschap los.

25Als u het zwaard getrokken hebt tegen uw vriend, zo wanhoop niet, want daar is wederkering.

26Als u de mond tegen uw vriend opengedaan hebt, zo vrees niet, want daar is verzoening, behalve in versmading en trots, en openbaring van wat verborgen is, en bedriegelijke verwonding, want om deze dingen vlucht ieder vriend weg.

27Bewijs trouw tegenover uw naaste in zijn armoede; opdat u zich verheugen mag als het hem wèl gaat.

28In de tijd van de verdrukking blijf bij hem, opdat u zijn erfdeel mag erven, want de geringe staat is niet altijd te verachten, noch de rijke, die geen verstand heeft, in waarde te houden.

29Zoals de damp van de oven en de rook gaan voor het vuur, zo gaan scheldwoorden voor de doodslag.

30Een vriend te beschermen zal ik mij niet schamen, en voor zijn aangezicht zal ik mij niet verbergen, zelfs zo mij iets kwaads overkomt om zijnentwil, een ieder die het hoort zal zich voor hem wachten.

31Wie zal mij een wacht aan mijn mond stellen, en een scherpzinnig zegel op mijn lippen, opdat ik niet plotseling valse vanwege mijn tong, en zij mij niet verderve?