Jezus Sirach 23
Lees Jezus Sirach 23 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Gebed tot God, dat hij ons bewaart voor het zondigen. 7 Vermaningen tegen hoogmoed, 9 tegen het zweren van eden, 16 om zijn ouders niet te vergeten, 18 tegen toorn, 21 hoererij en overspel, 34 tot de vreze van God.
1O Heere, Vader en Heerser van het hele leven, verlaat mij niet in hun raad, en laat mij niet vallen onder hen.
2Wie zal geselen bestellen over mijn gedachte, en een onderrichting van de wijsheid in mijn hart? opdat U Heere mijn onwetendheden niet ontziet, en de moedwil van de openbare zondaren niet voorbijgaat;
3Opdat mijn onwetendheden niet vermenigvuldigd worden, en mijn zonden niet vermeerderen tot verplettering, en ik niet valle voor degenen die mij tegen zijn, en mijn vijand over mij verblijd wordt, waarvan de hoop van Uw barmhartigheid verre is.
4O Heere, Vader en God van mijn leven, geef mij geen verheffing van de ogen, en wend een stout gemoed altijd van Uw knechten af.
5Weer van mij af ijdele hoop en begeerte, en behoud hem die U altijd wil dienen; laat mij de begeerte van de buik, en de bijslaap niet innemen, en geef mij, Uw knecht, niet over aan een onbeschaamd gemoed.
6Hoor, mijn kinderen, de onderwijzing van een waarachtige mond, en wie zij bewaart, die zal in zijn lippen niet gevangen worden.
7De zondaar zal in zijn onvoorzichtigheid gevat worden, en een schimper en hoogmoedige zullen zich daaraan stoten.
8Gewen uw mond niet tot zweren, en gewen u niet de heilige te noemen.
9Want zoals een huisknecht, die steeds met geselen onderzocht wordt, geen gebrek heeft van striemen, zo wordt die zweert en doorgaans de heilige noemt, van de zonde niet gereinigd.
10Een man die veel zweert, is vol ongerechtigheid, en de gesel zal van zijn huis niet wijken.
11Als hij mishandelt, zijn zonde is op hem, en als hij het niet acht, zo zondigt hij dubbel.
12En zo hij ijdel gezworen heeft, hij zal niet gerechtvaardigd worden, want zijn huis zal vervuld worden met aangehaalde straffen.
13Het is een wijze van spreken rondom met de dood bekleed; laat die niet gevonden worden in het erfdeel van Jakob.
14Want al deze dingen zullen verre zijn van de godvrezende, en zij zullen in de zonden niet ingewikkeld worden.
15Gewen uw mond niet tot onmatig eedzweren, want daarin is schuld van de zonde.
16Gedenk aan uw vader en moeder; want in het midden van de groten zult u bijzitten.
17Dat u niet te eniger tijd bij hen wordt vergeten, en door uw gewone omgang verwelkt, en u zou willen dat u niet geboren was geweest, en zou de dag van uw geboorte vervloeken.
18Een mens die gewend is tot scheldwoorden, die zal al de dagen van zijn leven niet onderwezen worden.
19Tweeërlei soort van mensen vermenigvuldigen de zonden, en de derde brengt de toorn mee.
20Een hittige ziel is zoals een brandend vuur; het wordt niet uitgeblust tot het verslonden is.
21Een ontuchtpleger, die met het lichaam van zijn vlees hoererij bedrijft, rust niet voordat hij een vuur ontstoken heeft.
22Een ontuchtpleger is allerlei brood zoet; hij zal niet aflaten voordat hij zijn einde neemt.
23Een mens die aftreedt van zijn bed, zegt bij zichzelf: Wie ziet mij?
24Duisternis is rondom mij, en de muren bedekken mij, en niemand ziet mij, wat vrees ik? De Allerhoogste zal aan mijn zonden niet gedenken, en de ogen van de mensen zijn alleen zijn vrees;
25En hij verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste Heere tienduizend maal klaarder zijn dan de zon.
26Die zien op alle wegen van de mensen, en merken op de verborgen delen.
27Eer alle dingen geschapen waren, is hem alles bekend geweest; zo ook, nadat ze zijn voltooid, doorziet hij ze alle.
28Deze zal op de straten van de stad gewroken worden, en gegrepen worden waar hij het niet heeft gemeend.
29Evenzo ook een vrouw, die haar man verlaat, en een erfenis van een ander bekomt.
30Want allereerst is zij de wet van de Allerhoogste ongehoorzaam geweest, en ten tweede heeft zij kwalijk gehandeld tegenover haar man, en ten derde heeft zij in hoererij overspel bedreven, en uit een andere man kinderen voortgebracht.
31Deze zal in de gemeente uitgestoten worden, en over haar kinderen zal onderzoeking gebeuren.
32Haar zonen zullen geen wortel uitspreiden, en de takken van haar zullen geen vrucht dragen.
33Haar herinnering zal zij tot een vervloeking nalaten, en haar versmaadheid zal niet uitgewist worden.
34En de nagelatenen zullen bekennen, dat er niets beter is dan de vrees voor de Heere, en niets zoeter dan dat iemand acht neemt op de geboden van God.
35Het is een grote heerlijkheid God te volgen, en een lang leven, dat u van Hem aangenomen wordt.