Jezus Sirach 25
Lees Jezus Sirach 25 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Lof van de eendracht. 5 En van een eervolle ouderdom. 9 Verhaal van tien dingen waarin het geluk van de mens bestaat. 17 De grootste plaag is de wraak van een vijand. 20 En de boosheid van een onverstandige vrouw. 30 Die men in huis moet houden, of een scheidbrief moet geven.
1DOOR drie dingen word ik schoon, en sta schoon voor Heere, ja voor Heere en de mensen.
2Door eendracht van de broers en vriendschap van de naaste, en wanneer man en vrouw zich samen verdragen.
3Drieërlei soort van mensen haat mijn ziel, en op hun leven ben ik zeer verstoord:
4Namelijk een arme, die hoogmoedig is, en een rijke, die een leugenaar is, en een oude die een overspeler is, en aan verstand afgenomen heeft.
5In uw jeugd hebt u niet verzameld, en hoe zou u wat vinden in uw ouderdom?
6Wat een schone zaak is het dat grijze haar zitten om te oordelen, en dat oude mannen kennis hebben tot raad?
7Hoe schoon staat de oude wijsheid, en degenen die verheerlijkt zijn, bedachtzaamheid en raad!
8Grote ervarenheid is een kroon van de ouden, en hun roem is de vrees voor de Heere.
9Aan negen dingen heb ik gedacht, en ze zalig geprezen in mijn hart, en het tiende zal ik met mijn tong zeggen:
10Een mens die verheugd wordt aan zijn kinderen, terwijl hij nog leeft, en die de val van zijn vijanden ziet.
11Hij is zalig die bij een verstandige vrouw woont, en die met de tong niet struikelt, en die niet dient degene, die hem niet waard is.
12Hij is zalig die kloekheid gevonden heeft, en ze verhaalt in de oren van de toehoorders.
13Hoe groot is hij die wijsheid vindt! maar hij is niet boven degene, die Heere vreest.
14Maar de liefde van Heere overtreft alles, tot verlichting.
15Wie ze houdt, bij wie zal hij vergeleken worden?
16De vrees voor de Heere is het begin van zijn liefde, maar het geloof het begin van zijn aankleving.
17Alle plaag is te verdragen, maar niet de plaag van het hart, en alle boosheid, maar niet de boosheid van een vrouw;
18Alle inval, maar niet de inval van degenen die haten, en alle wraak, maar niet de wraak van de vijanden.
19Daar is geen hoofd boven het hoofd van de slang, en daar is geen toorn boven de toorn van de vijand.
20Ik heb liever te wonen bij een leeuw en draak, dan te wonen bij een slechte vrouw.
21De boosheid van een vrouw verandert haar aangezicht, en verdonkert haar aangezicht, dat zij ziet zoals een beer.
22In het midden van zijn naasten zal haar man aanzitten en zal ongaarne zuchten om harentwil.
23Alle boosheid is klein tegen de boosheid van een vrouw; en het lot van de zondaar valle haar toe.
24Zoals een zandachtige opgang voor de voeten van een oud man, zo is een praatzieke vrouw voor een stil man.
25Geef u niet over aan de schoonheid van een vrouw, en begeer geen vrouw tot hartstocht.
26Toorn en onbeschaamdheid en grote schande is bij een vrouw, als zij haar man toereikt dat hij nodig heeft.
27Een slechte vrouw veroorzaakt een neergebogen hart, en een droevig aangezicht, en een harteplaag.
28Die haar man niet troost in zijn benauwdheid, die maakt trage handen en slappe knieën.
29Van de vrouw is het begin van de zonde, en om harentwil sterven wij allen.
30Geef het water geen doortocht, noch de slechte vrouw vrijheid om uit te gaan.
31Gaat zij niet naar uw hand, zo snijd haar af van uw vlees, geef een scheidbrief en laat haar gaan.