BijbelJezus Sirach

Jezus Sirach 29

Lees Jezus Sirach 29 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Dat men zijn naaste moet lenen in tijd van nood, 4 en graag het geleende moet teruggeven. 10 Als men aalmoezen aan de armen geeft, zal God dat vergelden. 17 Men moet ook borg blijven, maar met voorzichtigheid. 25 Het leven van de mens kan met weinig worden onderhouden, maar men moet hem voorzien van een eigen woning.

1WIE barmhartigheid oefent, die leent zijn naaste en wie hem sterkt met zijn hand, die houdt de geboden.

2Leen uw naaste in de tijd van zijn behoefte, en opnieuw, geef het uw naaste weer te zijner tijd.

3Bevestig uw woord en wees hem getrouw en u zult hem altijd uw behoefte vinden.

4Velen menen dat het geleende als gevonden is, en doen degenen moeite aan, die hen geholpen hebben.

5Zolang als hij ontvangt, kust hij zijn naastens handen, en om het geld van de naaste vernedert hij zijn stem.

6Maar wanneer hij het behoort weer te geven, dan stelt hij de tijd uit, en geeft reden van zijn zorgeloosheid en wijt het de tijd.

7En als hij het vermag te geven, zo zal hij nauwelijks de helft brengen, en zal het rekenen als gevonden.

8Maar als niet, zo berooft hij hem van zijn geld, en maakt hem tot een vijand zonder oorzaak.

9Hij betaalt hem met vloeken en scheldwoorden, en voor eer vergeldt hij hem oneer.

10Velen dan vanwege zulke boosheid, wenden zich van de mens af, en vrezen dat zij van het hunne mochten beroofd worden.

11Evenwel in de vernedering van uw naasten wees geduldig, en stel hem niet uit met uw liefdegave.

12Neem u de arme aan vanwege het gebod, en keer u niet af van zijn behoeftigheid.

13Verlies uw geld omwille van uw vriend en broer, en verberg dat niet onder een steen tot verderfenis.

14Leg uw schat naar de geboden van de Allerhoogste, en hij zal u voordeliger zijn dan goud.

15Sluit uw liefdegave in uw schatkamers, en ze zal u redden uit alle jammer.

16Zij zal meer dan een sterk schild, en meer dan een harde speer, tegen uw vijand voor u strijden.

17Een goed man zal voor zijn naaste borg worden, maar die de schaamte verloren heeft, zal hem verlaten.

18Vergeet de weldaden niet van degene die voor u borg geworden is, want hij heeft zijn ziel voor u gesteld.

19De zondaar keert een goede borgschap om.

20De zondaar, wanneer men voor hem borg geworden is, zal vluchten, en een onnut mens zal in zijn gedachten verlaten degene, die hem verlost heeft.

21Borgschap heeft er velen verdorven, die welgesteld waren, en heeft hen bewogen zoals een golf van de zee.

22Machtige mannen heeft zij doen verhuizen, die onder vreemde volken zijn gaan dwalen.

23Een zondaar overtredende de geboden van Heere zal in borgschap vervallen, en die aanneming van zware werken nastreeft, zal in het gericht vallen.

24Neem u de naaste aan naar uw vermogen, en heb acht op uzelf dat u niet valt.

25Het voornaamste van het leven van de mens is water en brood en een kleed, en een huis dat bedekt wat niet wel voegt.

26Het leven van de arme onder een deksel van planken, is beter dan heerlijk voedsel onder de vreemden.

27Heb een welbehagen zo wel aan het kleine als aan het grote, opdat u niet hoort het verwijt van uw huis.

28Het is een ellendig leven uit het ene huis in het andere te vertrekken, want waar u bij wonen zult, daar zult u de mond niet durven opendoen.

29U zult gasten hebben en de ondankbaren te drinken geven, en nog daartoe bittere woorden horen.

30Namelijk, inwoner ga heen, bereid de tafel, en zo u wat hebt, voedsel mij.

31Ga uit, inwoner, van dat heerlijk aangezicht, ik heb het huis nodig, mijn broer is bij mij geherbergd.

32Deze dingen zijn zwaar voor een die verstand heeft. De bestraffing vanwege het huis, en het verwijt van die hem geleend heeft.