BijbelJezus Sirach

Jezus Sirach 31

Lees Jezus Sirach 31 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De zorgen en ongemakken van de rijkdommen. 8 Het juiste gebruik daarvan. 12 Hoe men zich moet gedragen aan een overvloedige tafel, 28 en bij het drinken van de wijn.

1HET waken vanwege de rijkdom doet het vlees verdwijnen, en daarover bezorgd zijn, vermindert de slaap.

2Deze wakende bezorgdheid vereist sluimeren, maar de slaap ontnuchtert een zware ziekte.

3De rijke bemoeit zich met veel geld te verzamelen, en wanneer hij rust heeft, vult hij zich op met zijn lekkernijen.

4De arme bemoeit zichzelf als zijn leeftocht vermindert, en als hij rust wordt hij behoeftig.

5Wie goud liefheeft die zal niet gerechtvaardigd worden; en wie zijn verderving nastreeft, deze zal daarvan verzadigd worden.

6Velen zijn gebonden geworden vanwege het goud, en hun verderf is geweest voor hun ogen.

7Het is een hout van de aanstoot voor degenen die het offeren, en alle onwijze wordt daardoor gevangen.

8Zalig is de rijke, die onberispelijk gevonden wordt, en die naar het goud niet gaat.

9Wie is deze? en wij zullen hem zalig prijzen; want hij heeft wonderlijke dingen gedaan onder zijn volk.

10Wie is daardoor beproefd en volmaakt bevonden? en hij zal zijn tot een roem. Wie heeft kunnen overtreden, en heeft niet overtreden? en kwaad doen, en heeft het niet gedaan?

11Daarom zullen zijn goederen bevestigd worden, en de gemeente zal zijn liefdegaven vertellen.

12Als u aan een grote tafel zit, zo doe uw keel over deze niet wijd open;

13En zeg niet: Daar is veel opgezet.

14Gedenk dat een nijdig oog een kwaad ding is.

15Is er wat bozer geschapen dan zulk een oog? daarom weent het vanwege alles wat het ziet.

16Steek uw hand niet uit daar hij heenziet, en wrijf ze met hem niet in de schotel.

17Meet bij uzelf af wat uw naaste behaagt, en let op alle dingen.

18Eet zoals een mens van wat u voorgezet wordt, en wees niet vraatzuchtig, opdat u niet gehaat wordt.

19Houd eerst op, omdat u onderwezen bent, en wees niet onverzadigbaar, opdat u niet te eniger tijd aanstoot geeft.

20En zo u onder velen aanzit, steek uw hand niet eerder uit dan zij.

21Hoe weinig is genoeg voor een mens die wel onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn bed, hij heeft een gezonde slaap, met een matig binnenste, hij staat vroeg in de morgen weer op, en zijn vernuft is bij hem.

22Moeilijk waken, en buikpijn, en pijn in de darmen, is bij een onverzadigbaar mens.

23En zo u met kost overladen bent, sta op midden door heengaande; geef over, en u zult weer rust hebben.

24Hoor mij, mijn kind, en veracht mij niet, en u zult ten laatste de waarheid van mijn woorden bevinden.

25Wees in al uw werken wakker, en geen ziekte zal u ontmoeten.

26Degene die heerlijk is in voedsel, zegenen de lippen, en de getuigenis van zijn heerlijkheid is getrouw.

27Die karig is in voedsel, over die mort de stad, en de getuigenis van zijn karigheid is scherp.

28Toon u geen man in de wijn, want de wijn heeft er velen in het verderf gebracht.

29De oven beproeft wat door indompeling verstaald is, zo doet ook de wijn in het hart van de hoogmoedigen als zij dronken zijn.

30De wijn is de mensen zoals het leven; als u deze matig drinkt.

31Wat voor een leven heeft hij die het aan wijn ontbreekt? Want hij is geschapen om de mensen te verheugen.

32De wijn maakt vrolijkheid van het hart en verheuging van de ziel, op de juiste tijd, en zoveel genoeg is gedronken.

33Maar veel wijn gedronken veroorzaakt bitterheid van de ziel door twist en ongeval.

34De dronkenschap van de onwijze vermeerdert zijn toorn tot aanstoot, vermindert sterkte, en brengt wonden.

35Bestraf uw naaste niet in het wijngelag, en veracht hem niet in zijn verheuging.

36En zeg hem geen verwijtend woord, en verdruk hem niet, wanneer hij u ontmoet.