Jezus Sirach 34
Lees Jezus Sirach 34 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Men moet niet op dromen afgaan. 9 Wat de ervaring de mens brengt. 13 Wie de HEERE vreest wordt door hem tegen alle tegenslagen beschermd. 19 Wie van onrechtvaardig goed offert, en de armen het zijne onthoudt, mishaagt God. 25 Zoals het ook niet helpt dat men vast over een zonde, waartoe men weer terugkeert.
1DE hoop van een onverstandige man is ijdel en leugenachtig, en dromen maken vleugels voor de onwijze.
2Zoals een die naar de schaduw grijpt, en de winden nastreeft, zo is hij die de dromen gadeslaat.
3Wat men in de dromen ziet, is dit na dat, evenals de gelijkheid van het aangezicht tegen het aangezicht over.
4Van het onreine, wat zal daarvan gereinigd worden? en van de leugenaar, welke waarheid zal daarvan komen?
5Waarzeggerij en vogelgeschrei, en dromen zijn ijdele dingen, waarvan uw hart inbeeldingen krijgt, zoals het hart van een vrouw die in barensnood is.
6Als ze door de Allerhoogste u niet zijn toegezonden, om u te bezoeken, zo geef uw hart daartoe niet.
7Want de dromen hebben velen verleid, en die daarop hoopten, zijn gevallen.
8Zonder leugen wordt de wet volbracht, en wijsheid is de volkomenheid van een getrouwe mond.
9Een man, die gedwaald heeft, weet vele dingen, en die veel ervaren heeft, zal verstandige dingen verhalen.
10Die niet ervaren is, weet weinig, maar die gedwaald heeft, is meerder in schranderheid.
11Ik heb veel dingen gezien in mijn afdwaling, en het is mijn verstand, dat mijn rede gedaante geeft.
12Dikwijls ben ik in gevaar geweest tot de dood toe, en om deze dingen behouden.
13De geest van degenen, die Heere vrezen, zal leven.
14Want hun hoop is op hem, die hen behouden heeft.
15Wie Heere vreest, die zal geen ding vrezen, en zal niet bevreesd wezen, want Hij is zijn hoop.
16Zalig is de ziel van degene, die Heere vreest, aan wie houdt hij, en wie is zijn steunsel?
17De ogen van Heere zien op degenen die Hem liefhebben; Hij is hun een krachtig schild en sterk steunsel; een bescherming tegen de hitte, en een bescherming tegen de middag; een bewaring voor de aanstoot, en een hulp tegen de val.
18Hij verhoogt de ziel, en verlicht de ogen, hij geeft genezing, leven en zegen.
19Die van onrechtvaardig goed offert, diens offergave is bespottelijk, en de gaven van de goddelozen behagen God niet.
20De Allerhoogste heeft geen welbehagen aan de offergaven van de goddelozen, en wordt over de zonde door de menigte van de slachtoffers niet verzoend.
21Hij slacht de zoon in aanwezigheid van zijn vader, die een slachtoffer toebrengt van het geld van de armen.
22Het brood van de behoeftigen is het leven van de armen, wie hen daarvan berooft, is een moordenaar.
23Hij doodt zijn naaste, die hem zijn leeftocht afneemt.
24En hij vergiet bloed, die het loon van de dagloner rooft.
25Als de één bouwt en de andere afbreekt, wat winnen zij meer dan moeite?
26Als de één bidt en de andere vloekt, van wie zal de Heere de stem verhoren?
27Als iemand is gewassen nadat hij een dode heeft aangeraakt, en die weer aanraakt, welk nut heeft hij van zijn wassing?
28Zo is het met een mens die vast vanwege zijn zonden, en weer heengaat en hetzelfde doet; wie zal zijn gebed verhoren? en wat is hij daarmee gevorderd dat hij zichzelf vernederd heeft?