BijbelJezus Sirach

Jezus Sirach 40

Lees Jezus Sirach 40 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Het leven van alle mensen is vol onrust, 8 maar over de goddelozen en hun nakomelingen vallen zwaardere plagen. 16 Door welke zaken het leven verzacht en veraangenaamd wordt, 26 maar de vreze van de HEERE gaat alle genoegens te boven. 28 De verachtelijkheid van het leven van de bedelaar.

1VOOR een ieder mens is een grote onrust geschapen en een zwaar juk op de kinderen van Adam; van die dag af dat zij uit hun moeders lichaam gekomen zijn, tot op de dag dat zij terugkeren in de moeder van allen.

2Voor wat betreft hun gedachten, en de vrees van het hart, zo is de betrachting van wat zij te verwachten hebben, de dag van de dood;

3Zo wel bij hem, die op de troon van de heerlijkheid zit, als bij degene, die vernederd is, zittende in aarde en as.

4Zo wel bij hem, die een purperen kleed en een kroon draagt, als bij degene, die met grof lijnwaad gekleed is.

5Hij bekomt toorn en afgunst, ontroering en beweging, en vrees van de dood, en haat en twist, en wanneer het tijd is om te rusten op het bed verandert de slaap van de nacht zijn kennis.

6Hij heeft weinig, als het ware geen rust, en daarna slaapt hij zoals in de dagen van de schildwacht.

7Hij wordt ontroerd door het visioen van zijn hart, zoals een die uit de oorlog ontvlucht is, en ontwakende in de tijd van zijn behoudenis, is hij verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft.

8Zo gaat het met alle vlees, van de mens af tot op het vee, maar over de zondaars komt tot deze dingen zevenvoudig meer.

9Dood en twist, en zwaard, en bloed; invoering van de honger, en van de verplettering, en van de gesel; deze dingen alle zijn tegen de goddelozen geschapen, en om hunnentwil is de zondvloed gekomen.

10Al wat van aarde is, keert opnieuw tot aarde, en al wat van water is, wendt zich weer naar de zee.

11Alle geschenk en ongerechtigheid zal uitgewist worden, maar geloof zal in eeuwigheid bestaan.

12De goederen van de onrechtvaardigen zullen als een stroom uitdrogen, en zoals een grote donder met regen zal God geluid daartegen geven.

13Als hij de handen opendoet, zo wordt de rechtvaardige verheugd; zoals degenen die overtreden, vernietigd worden tot het uiterste.

14De nakomelingen van de goddelozen zullen niet vele takken uitschieten, want de onreine wortels liggen op een steile steenrots.

15Hun groente aan alle water en oever van een stroom zal voor alle ander gras uitgeplukt worden.

16Weldadigheid is zoals een lusthof met zegeningen, en een liefdegave blijft in eeuwigheid.

17Het leven van degene, die zich genoegen laat, en van de arbeider, is zoet, maar die een schat vindt gaat beide te boven.

18Kinderen, en opbouw van de stad onderstutten de naam.

19Wijn en muziek verheugen het hart, maar de liefde tot wijsheid meer dan beide.

20De fluit en het snarenspel geven een zoete toon, maar een liefelijke tong meer dan beide.

21Het oog verheugt zich in wat aangenaam en schoon is, maar in de groente van het gezaaide meer dan in beide.

22Een vriend en zijn gezel komen elkaar tegemoet ter gelegener tijd, maar een vrouw met haar man meer dan beide.

23Broeders en hulp zijn goed in de tijd van de verdrukking, maar een liefdegave verlost meer dan beide.

24Goud en zilver stellen de voet vast, maar raad wordt meer geacht dan beide.

25Geld en sterkte verhogen het hart, maar de vrees voor de Heere meer dan beide.

26Daar is in de vrees voor de Heere geen vermindering, en hij behoeft voor zichzelf geen hulp te zoeken.

27De vrees voor de Heere is zoals een gezegende lusthof, en boven alle heerlijkheid bedekt hij die.

28Mijn kind, leef geen bedelaarsleven; het is beter sterven dan bedelen.

29Een man die naar een vreemde tafel ziet, diens leven is voor geen leven te rekenen; hij besmet zijn ziel met vreemde spijzen.

30Maar een verstandig man, en die onderwezen is, wacht zich daarvan.

31In de mond van de onbeschaamde is de bedelarij zoet, maar in zijn buik zal een vuur branden.