Jezus Sirach 45
Lees Jezus Sirach 45 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De lof van Mozes, 7 en van zijn broer Aäron, 9 wiens priesterlijke kleding, sieraad en ambt wordt beschreven, 22 met de ondergang van Dathan en Abiram, 25 alsook de erfenis die God aan Aäron in Israël heeft gegeven. 28 De lof van Pinehas en zijn ijver, 30 met Gods zegen over hem en zijn nakomelingen.
1NAMELIJK Mozes, door God en de mensen geliefd, van wie de herinnering is in zegening.
2Hij heeft hem aan de heerlijkheid van de heiligen gelijkgemaakt, en heeft hem door de vrees van de vijanden groot gemaakt; door zijn woorden heeft hij de tekenen doen ophouden; en heeft hem verheerlijkt voor het aangezicht van de koningen.
3Hij heeft hem bevel gegeven aan zijn volk, en heeft hem zijn heerlijkheid getoond.
4Door zijn geloof en zachtmoedigheid heeft hij hem geheiligd; hij heeft hem uit alle vlees uitverkoren.
5Hij heeft hem zijn stem laten horen, en heeft hem ingevoerd in het donker;
6En heeft hem van aangezicht tot aangezicht bevelen gegeven, de wet van het leven en van de wetenschap; deze heeft Jakob het verbond geleerd, en Israël zijn rechten.
7Aäron, zijn broer, uit de stam van Levi, heeft hij verhoogd, dat hij heilig en hem gelijk was.
8Hij heeft met hem een eeuwig verbond opgericht, en hem gegeven het priesterdom onder zijn volk, en verheerlijkt met schoon sieraad.
9En heeft hem omgord met een kleed van de heerlijkheid, en hem aangetrokken een volkomen roem, en hem gesterkt met uitrusting van de sterkte;
10Met onderbroeken, lange rok, en lijfrok;
11En heeft hem rondom behangen met granaatappels, en zeer veel gouden belletjes rondom heen, om geluid te maken met geklank in het gaan; en een gerucht te maken dat men horen kon in de tempel, en dat tot een herinnering mocht dienen de kinderen van zijn volk.
12Met een heilige gouden, en hemelsblauwe en purperen rok, het werk van een borduurwerker; met de lap van het gericht, openbare tekenen van de waarheid;
13Gemaakt van getweernd scharlaken zijde, zeer kunstig gewerkt, van kostelijke stenen gegraveerd, als een zegel in goud ingevat, een werk van de graveerder; waarin tot een herinnering geschreven en gegraveerd was het getal van de Israëlieten.
14Hij heeft hem versierd met een gouden kroon boven op de hoed, een uitgedrukt zegel van de heiligheid, een heerlijke roem, machtige werken, verlustigingen van de ogen, schone versieringen.
15Vóór hem zijn dergelijke dingen niet geweest;
16En niemand deed ooit deze kleren aan, die uit een ander geslacht was, behalve alleen zijn zonen, en die uit hem geboren waren altijd.
17Hun slachtoffers werden tweemaal per dag gedurig geheel verbrand.
18Mozes heeft zijn handen gevuld, en heeft hem met heilige olie gezalfd.
19Dit is hem geweest tot een eeuwig verbond, en zijn zaad zolang de hemel dagen zal hebben; om tegelijk zijn dienst waar te nemen, en het priesterschap te bedienen, en het volk in zijn naam te zegenen.
20Uit alle levenden heeft hij hem uitverkoren, om Heere offergaven toe te brengen; reukwerk en aangename geur tot herinnering, om verzoening te doen voor het volk.
21Hij heeft hem zijn bevelen gegeven, en macht in de voorschriften van de rechten, om Jakob zijn getuigenissen te leren, en Israël door zijn wet te verlichten.
22Vreemden zijn tegen hem opgestaan, en hebben hem benijd in de woestijn; mannen die het met Dathan en Abiram hielden, en de vergadering van Korach, met woede en toorn.
23Maar Heere zag het, en had geen behagen daaraan, en zij zijn vernield in de woede van Zijn toorn.
24Hij heeft aan hen wonderen gedaan, en heeft hen verteerd door het vlammig vuur.
25Hij heeft Aärons heerlijkheid vermeerderd, en hem een erfdeel gegeven, de eerstelingen van de eerstgeborenen heeft hij hem ten deel gegeven.
26Vooral heeft hij hem brood toebereid in verzadiging; want zij eten de slachtoffers van Heere, die Hij hem en zijn zaad gegeven heeft.
27Maar in het land van het volk had hij geen erfdeel, en kreeg geen deel onder het volk, want hij zelf was het deel van zijn erfenis.
28En Pinehas, de zoon van Eleazar, is de derde in heerlijkheid, omdat hij had geijverd in de vrees voor de Heere.
29En gestaan had als zich het volk had afgekeerd, met een goede toegenegenheid van zijn gemoed, en voor Israël verzoend had.
30Daarom heeft Heere met hem en zijn volk opgericht een verbond van de vrede, dat hij zou zijn een voorstander van de heilige dingen, en dat hij en zijn zaad de grote heerlijkheid van het priesterdom zou hebben in de eeuwigheid.
31En zoals, volgens het verbond opgericht met David, een zoon uit de stam van Juda het erfdeel van de koning heeft, en komt van de ene zoon alleen tot de andere; zo is het erfdeel van het priesterdom Aäron toegelegd en zijn zaad.
32Hij geve u wijsheid in uw hart om te richten zijn volk in gerechtigheid, opdat hun goederen niet verdwijnen, en geve zijn heerlijkheid in hun generaties.