BijbelJezus Sirach

Jezus Sirach 47

Lees Jezus Sirach 47 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Het voorbeeld van Nathan. 2 De lof van David in het overwinnen van de leeuw en de beer, van de reus Goliath, en van de vijanden van Israël. 9 Zijn lofzangen en andere instellingen. 13 Tot bevestiging van het koninkrijk in zijn geslacht. 14 De lof van Salomo, zijn rijkdom en val, met Gods barmhartigheid over hem. 26 De dwaasheid van Rehabeam, 27 en de afval van Jerobeam.

1NA deze stond Nathan, de profeet, op in de dagen van David.

2Zoals het vette is afgezonderd geweest van het dankoffer, zo is David afgezonderd uit de Israëlieten.

3Onder leeuwen verkeerde hij zoals onder geitebokjes, en onder beren, zoals onder lammeren.

4In zijn jeugd bracht hij een reus om, en nam de versmaadheid uit het volk weg.

5Toen hij zijn hand ophief om met de steen van de slinger de trots van Goliath terneder te werpen.

6Want hij riep de Allerhoogste Heere aan, en die gaf hem in zijn rechterhand kracht dat hij wegnam een mens, die machtig was in de oorlog, om de hoorn van zijn volk te verhogen.

7Zodat het hem verheerlijkte onder tienduizenden, en prees hem met zegeningen van Heere, als hem de kroon van de heerlijkheid gebracht werd.

8Hij vernietigde de vijanden rondom, en bracht tot niet de Filistijnen die tegen hem waren, tot op de huidige dag toe heeft hij hun hoorn verbroken.

9In al wat hij deed gaf hij God, de heilige en Allerhoogste, de eer, met heerlijke woorden.

10Uit geheel zijn hart zong hij lofzangen, en had degene lief die hem gemaakt had.

11En heeft zangers ingesteld voor het altaar, om uit zijn geluid een zoete toon te maken, en dagelijks God te prijzen met hun gezangen,

12Hij heeft op de feesten ingesteld dingen die wel staan, en de bestemde tijden volkomen versierd, opdat zij zouden prijzen zijn heilige naam, en vroeg in de morgen aan zijn heiligdom weerklank zouden doen geven.

13Heere heeft zijn zonden weggenomen, en zijn hoorn verhoogd in eeuwigheid; en heeft hem gegeven het verbond van het koninkrijk, en de troon van de heerlijkheid in Israël.

14Na hem stond op zijn zoon zijnde een wijs man, en door hem heeft het volk in ruimte gewoond.

15Salomo regeerde in de tijd van de vrede, en is beroemd geworden, zoals God rondom hem rust gegeven had, opdat hij voor Zijn naam een huis zou oprichten, en een heiligdom bereiden in de eeuwigheid.

16Hoe wijs was hij in zijn jeugd? en werd vervuld met verstand zoals een stroom.

17Uw ziel heeft de hele aarde bedekt, en met scherpzinnige spreuken vervuld.

18Uw naam is ver tot in de eilanden gekomen, en u bent geliefd geweest in uw vrede.

19De gewesten waren verwonderd over uw gezangen, en spreuken, en gelijkenissen, en uitleggingen.

20In de naam van Heere, de God van de hele aarde, die bijgenaamd wordt de God van Israël, bracht u goud samen zoals tin, en zoals lood vermenigvuldigde u het zilver; maar u hebt uw hart geneigd tot de vrouwen;

21En bent met uw lichaam in haar macht gekomen.

22Zo hebt u uw heerlijkheid een schandvlek aangehangen, en uw zaad ontheiligd, en over uw kinderen toorn gebracht, en dat zij zijn gekweld geworden vanwege uw dwaasheid, als de heerschappij in twee gescheurd werd, en uit Efraïm een ongehoorzaam koninkrijk ontstond.

23Maar Heere verliet Zijn barmhartigheid niet, en werd geheel niet afgewend van Zijn werken.

24Hij wiste uit de nakomelingen van zijn uitverkorenen ook niet uit, en nam het zaad van degene, die hem had liefgehad, niet weg.

25En gaf Jakob een overblijfsel, en David een wortel uit hem gesproten.

26En Salomo rustte met de vaders, en liet na van zijn zaad een zeer dwaze onder het volk, en gering van verstand, namelijk Rehabeäm, die het volk deed afvallen door zijn raad.

27Toen kwam Jerobeam, de zoon van Nebat, die maakte Israël zondigende, en gaf Efraïm een weg van de zonde, en hun zonden vermenigvuldigden zeer;

28Dat zij afvallig werden van het land, totdat de toorn en wraak over hen zouden komen.