Jezus Sirach 50
Lees Jezus Sirach 50 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De lof van Simon de zoon van Onias, die de tempel heeft vergroot, 5 en de stad Jeruzalem heeft versterkt. 11 Die in zijn hogepriesterambt de godsdienst zeer heerlijk heeft bediend. 17 Die de priesters, het gewone volk en de zangers zijn gevolgd, 21 totdat hij hen met de zegen heeft verlaten. 23 Een vermaning tot het volk om God te danken en te bidden om zijn verdere zegen. 27 De auteur beschrijft zichzelf en zijn wijsheid, en vermaant ieder zich daarin te oefenen.
1SIMON, de zoon van Onias, de hogepriester, die in zijn leven het huis van Heere heeft vermaakt, heeft ook in zijn dagen het volk bevestigd.
2Onder hem is het fundament gelegd van de dubbele verheven hoogte, de hoge omgang van de tempel.
3In zijn dagen waren de watervaten te klein, en werd gemaakt een metalen bekken zoals de zee, houdende drie keer zo veel.
4Hij droeg zorg voor zijn volk, dat het niet viel.
5U hebt de stad sterk gemaakt en omgekeerd, u bent verheerlijkt door uw verkeer met het volk, en door de uitgang uit het huis waar het voorhangsel voorhangt.
6U was zoals de morgenster in het midden van de wolken, zoals de maan als zij vol is op haar tijd, en zoals de regenboog de heerlijke wolken verlicht.
7Zoals de zon uitschijnende op de tempel van de Allerhoogste; zoals de bloem van de rozen in de tijd van de nieuwe bloemen; zoals de leliën aan de oorsprong van het water; zoals een spruit van Libanon in de dagen van de zomer;
8Zoals vuur en wierook op een vuurpan;
9Zoals een gouden voorwerp, dat met de hamer dicht geslagen, en met allerlei kostelijk gesteente versierd is;
10Zoals een schone olijfboom, die vruchten voortspruit; en zoals een cypresseboom, die verhoogd is tot aan de wolken; als hij het kleed van de heerlijkheid nam, en als hij de volmaakte roem aantrok.
11In het opklimmen tot het heilige altaar verheerlijkte hij de heilige kleding.
12En als hij de gedeelten van de offergaven uit de hand van de priester ontving, zo stond hij zelf bij de haard van het altaar.
13Rondom hem was een omstaande menigte van zijn broers, zoals spruiten van cederbomen op de Libanon, en omsingelden hem zoals scheuten van palmbomen; namelijk al de zonen van Aäron in hun heerlijkheid, en de offergave van Heere was in hun handen, in aanwezigheid van de hele gemeente van Israël;
14En voleindigende de diensten op het altaar, om te versieren de offergave van de Allerhoogste en van de Almachtige,
15Strekte hij zijn handen uit tot de offerbeker, en offerde van het druivenbloed,
16Uitgietende op de fundamenten van het altaar een aangename geur voor de Allerhoogste, die koning is over alles.
17Toen riepen de zonen van Aäron, met dun gesmede trompetten een weerklank gevende; en maakten dat er gehoord werd een groot geschal, tot een herinnering voor de Allerhoogste.
18Dan haastte heel het volk gezamenlijk, en viel op hun aangezicht ter aarde, om hun Heere, de almachtige en Allerhoogste God, aan te bidden.
19En de zangers prezen God met hun stemmen, en in het meeste geluid was een zoet gezang.
20En het volk van Heere, van de Allerhoogste, smeekte in hun gebed, voor het aangezicht van de ontfermer, totdat voleindigd was het versiersel van Heere, en zij zijn dienst geëindigd hadden.
21Dan hief Simon, de Hogepriester, afklimmende, zijn handen op over de hele gemeente van de Israëlieten, om hun te geven de zegen van Heere met zijn lippen, en om in Zijn naam te roemen.
22En zij baden voor de tweede keer aan, om de zegen van de Allerhoogste te verkrijgen.
23En nu dankt de God van alle dingen, die alleen grote dingen doet overal, die onze dagen verhoogt van moeders schoot af, en die met ons handelt naar Zijn barmhartigheid.
24En bidt dat het vrede worde in onze dagen in Israël, zoals het in de dagen van de vorige eeuw geweest is; dat hij getrouw aan ons bewijze zijn barmhartigheid, en ons verlosse in onze dagen.
25Over twee volken is mijn ziel verstoord, en het derde is geen volk:
26Die hun zitplaats hebben op de berg van Samaria, en mensen die in het land van de Filistijnen wonen, en het dwaze volk dat te Sichem woont.
27Jezus, de zoon van Sirach, van Jeruzalem heeft in dit boek op schrift gesteld een onderwijzing van het verstand en van de wetenschap; die de wijsheid als een plasregen uit zijn hart heeft doen vloeien.
28Zalig is hij, die zich in deze dingen oefenen zal, en die ze ter harte neemt, zal wijs worden.
29Want als hij ze doet, zal hij tot alle dingen bekwaam zijn, omdat het licht van Heere zijn voetstap is, en Hij geeft de godvrezenden wijsheid.
30Geprezen zij Heere in de eeuwigheid. Dat gebeure, dat gebeure!