Jezus Sirach 51
Lees Jezus Sirach 51 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Een dankzegging van de auteur over de genade die God hem bewezen heeft, dat hij hem heeft verlost van vele vijanden en uit vele moeilijkheden. 17 Een verhaal hoe hij van jongs af aan de wijsheid heeft gezocht en verkregen. 31 Met een vermaning aan anderen, dat zij haar ook met alle vlijt moeten zoeken en ernaar moeten trachten.
1Een Gebed van Jezus, de zoon van SirachIK zal U belijden Heere, Koning, en ik zal U prijzen, o God, die mijn zaligmaker bent.
2Ik belijd Uw Naam, dat U mij een beschermer en helper geweest bent, en hebt mijn lichaam uit de verderfenis verlost;
3En van de strik van de lasterende tong; van de lippen van degenen die leugens oefenen; en tegen degenen die zich tegen mij stelden, bent U mij een helper geweest.
4U hebt mij verlost naar de menigte van de barmhartigheid van Uw Naam, uit de tanden die bereid waren om mij te verslinden;
5Uit de hand van degenen die mijn ziel zochten; uit de vele verdrukkingen, die ik gehad heb;
6Van de verstikking van het vuur rondom; uit het midden van het vuur, dat ik niet verbrand ben;
7Uit de diepte van de buik, en van de onreine tong, van het leugenachtige woord, door de lastering bij de koning, en van een onrechtvaardige tong.
8Mijn ziel was nabij de dood gekomen; en mijn leven was nabij het diepste graf.
9Zij hadden mij van alle zijden omzet, en daar was geen helper; ik zag om naar bijstand van de mensen, en daar was geen.
10Toen gedacht ik aan Uw barmhartigheid, Heere, en aan Uw werken van alle tijden.
11Dat U degenen die volhardende verwachten uithelpt, en hen verlost uit de hand van de vijanden.
12En heb van de aarde mijn ootmoedig gebed opgeheven, en gesmeekt om verlossing van de dood.
13Ik riep Heere de vader van mijn Heer aan, dat Hij mij niet wilde verlaten in de dag van de verdrukking, ten tijde als ik geen hulp had tegen de hoogmoedigen.
14Ik zal Uw naam prijzen zonder ophouden, en U lofzingen met dankzegging, en mijn smeking is verhoord geweest.
15Want U hebt ons verlost uit het verderf, en mij getrokken uit de boze tijd.
16Daarom zal ik U belijden, Heere, en zal U prijzen, en zal Uw naam danken.
17Als ik nog jong was, voordat ik dwaalde, heb ik de wijsheid openbaar gezocht door mijn gebed.
18Voor de tempel heb ik om haar gebeden, en tot het uiterste toe zal ik haar ijverig zoeken.
19Mijn hart is in haar verheugd geweest, zoals over een druif die na het bloeisel rijp wordt.
20Mijn voet is recht heengegaan; van mijn jeugd af heb ik haar nagespeurd.
21Ik heb mijn oor een weinig geneigd, en heb haar aangenomen;
22En heb voor mijzelf veel onderwijzing gevonden, ik ben door haar toegenomen.
23Degene die mij wijsheid geeft, die zal ik macht toeschrijven.
24Want ik heb gedacht om haar in het werk te stellen, en te beijveren het goede, en zal in geen geval te schande worden.
25Mijn ziel heeft om haar zeer gestreden, en in mij honger verwekt hebbende, heb ik haar ijverig doorzocht.
26Ik heb mijn handen uitgerekt tot de hoogte, en mijn onwetendheden van haar bemerkt.
27Ik heb mijn ziel naar haar gericht, en in reiniging heb ik haar gevonden.
28Ik heb van het begin af tot haar een hart gekregen, daarom zal ik niet verlaten worden.
29Mijn hart is ontroerd geworden om haar te zoeken, daarom heb ik een goede bezitting verkregen.
30Heere heeft mij een tong gegeven tot mijn loon, en met deze zal ik Hem prijzen.
31Gemaakt tot mij, u die niet onderwezen bent, en overnacht in het huis van de onderwijzing.
32Wat vertraagt u? of wat zegt u hiertoe? zo toch uw zielen zeer dorsten.
33Ik heb mijn mond geopend en heb gesproken, koopt u wijsheid zonder geld.
34Leg uw hals onder het juk, en uw ziel neme onderwijzing aan, zij is nabij om te vinden.
35Zie met uw ogen dat ik weinig moeite gehad heb, en heb voor mijzelf veel rust gevonden.
36Wees deelachtig de onderwijzing met een groot getal gelds, en veel goud zult u in haar bezitten.
37Uw ziel verheuge zich over de barmhartigheid van Heere, en schaamt u niet Hem te prijzen.
38Werk uw werk voor de tijd, en hij zal u te zijner tijd loon geven.