BijbelJezus Sirach

Jezus Sirach 7

Lees Jezus Sirach 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Vermaningen tegen ongerechtigheid, 4 tegen eergierigheid, 7 eigendunk, 10 onbarmhartigheid, 12 leugen, 14 veel gepraat, 15 en tegen verachting van de landbouw, 17 vermaningen tot nederigheid. 18 Tot het onderhouden van oude vriendschap. 19 Over een goede huisvrouw. 20 Over een trouwe dienstknecht. 22 Tot toezicht over zijn vee. 23 Over zijn kinderen. 27 Tot het eren van vader en moeder. 29 Van God en zijn priesters. 34 Tot hulp aan armen, treurenden en zieken, 38 en tot gedachtenis aan zijn levenseinde.

1DOE geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen.

2Wijk af van de ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.

3Mijn zoon, zaai niet in de voren van de ongerechtigheid, zo zult u niet zevenvoudig hetzelfde maaien.

4Begeer van Heere geen heerschappij, en van de koning geen heerlijke zitplaats.

5Rechtvaardig u niet voor Heere, en houd u niet voor wijs bij de koning.

6Zoek niet een rechter te worden, want u mocht niet sterk genoeg zijn de ongerechtigheden weg te nemen; dat u niet te eniger tijd voor het aangezicht van de machtige vreest, en een aanstoot legt in uw rechte handeling.

7Zondig niet tegen de menigte van de stad, en begeef uzelf niet onder het oproerige volk.

8Bind een zonde niet tweemaal aan, want zelfs in een zult u niet onschuldig zijn.

9Zeg niet: Hij zal op de menigte van mijn gaven zien, en als ik God de Allerhoogste offere, zo zal Hij het aannemen.

10Wees niet kleinmoedig in uw gebed, en verzuim niet liefdegaven te geven.

11Belach de mens niet die in bitterheid van zijn ziel is, want daar is een die vernedert en verhoogt.

12Ploeg geen leugen tegen uw broer, en doe uw vriend desgelijken niet.

13Wil niet liegen enigerlei leugen, want het steeds plegen daarvan komt niet ten goede.

14Spreek niet veel in de menigte van de ouden, en wederhaal uw woord niet in uw gebed.

15Haat de moeilijke arbeid niet, en de landbouw, die door de Allerhoogste geschapen is.

16Reken uzelf niet onder de menigte van de zondaren; gedenk dat de toorn niet wacht.

17Verneder uw ziel zeer, want de wraak van de goddeloze zal vuur en worm zijn.

18Verwissel uw vriend niet om enig middelmatig ding, het zij wat het wil, noch een oprechte broer om goud uit Ofir.

19Het ontbreke u niet aan een wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid overtreft het goud.

20Doe de huisknecht geen kwaad die getrouw zijn werk doet, noch de huurling die zijn ziel aan u overgeeft.

21Laat uw ziel een verstandige huisknecht liefhebben, en onthoud hem de vrijheid niet.

22Heb u vee, zo heb opzicht daarop, en zo het u nut is, laat het bij u blijven.

23Heb u kinderen, onderwijs ze, en buig hun hals van de jeugd aan.

24Heb u dochters, neem acht op haar lichaam en stel uw aangezicht niet blij tegen haar.

25Geef uw dochter uit, en u zult een groot werk volbracht hebben; en geef haar aan een verstandig man.

26Heb u een vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet over.

27Eer uw vader met heel uw hart, en vergeet niet de smarten van uw moeder.

28Gedenk dat u door hen voortgebracht bent, en wat zult u hun daarvoor geven in gelijkheid van wat zij u gegeven hebben?

29Vrees Heere met uw hele ziel, en houd zijn priesters in waarde; heb uit geheel uw kracht lief degene die u gemaakt heeft, en verlaat Zijn dienaren niet.

30Vrees Heere, en eer de priester.

31En geef hem zijn deel, zoals u bevolen is,

32Namelijk de eerstelingen, en het schuldoffer,

33En de gaven van de schouders, en de offergave van de heiliging, en de eerstelingen van de heilige dingen.

34En steek uw hand uit tot de arme, opdat uw zegen volkomen wordt.

35Gaven zijn aangenaam bij alle levenden, en aan een dode verhinder de goedertierenheid niet.

36Onttrek u niet van de huilende, en treur met degenen die treuren.

37Wees niet traag in het bezoeken van de zieke; want om zulke dingen zult u geliefd worden.

38In al uw doen gedenk aan uw uiterste, en u zult in de eeuwigheid niet zondigen.